Categories
Uncategorized

Stevige impulsen voor regio Ede

Johan Weijland
Wethouder Grondzaken Veluwse Poort

Veluwse Poort is een nieuwe woonwijk aan de oostkant van Ede. Voorheen stonden er kazernes en veel van die gebouwen worden momenteel getransformeerd tot woningen. “We bewaren daarmee ook een flink stuk historie”, vertelt Johan Weijland, wethouder in Ede. “In combinatie met nieuwbouw geeft dit een aparte sfeer. Ook oude, grote bomen blijven zo veel mogelijk bewaard.

Daar komt bij dat Veluwse Poort een mooie ligging heeft, aan de rand van bos en heide. Het is een bijzonder aantrekkelijk woongebied, met circa 1.200 woningen. De eerste daarvan zijn inmiddels gereed en bewoond. Fase twee is gestart en de uitwerking van fase drie is in volle gang.”

Gunstige ligging

De ligging van Veluwse Poort is gunstig: slechts een paar minuten verwijderd van het levendige centrum van Ede en het intercitystation Ede-Wageningen. Daarnaast is het met de auto een paar minuten naar de snelweg en per trein is het een uur naar Schiphol of naar Düsseldorf.

Bovendien ligt de nieuwe wijk vlakbij de Wageningen University & Research. Het World Food Center heeft daar een nauwe band mee. Op deze locatie kunnen innovatieve ondernemingen uit de foodsector zich vestigen. Een ander onderdeel van Veluwse Poort is het terrein van de voormalige kunstzijdefabriek Enka, dit ligt aan de andere kant van het spoor.

Op dit terrein zullen ook woningen komen. Weijland: “Het straalt nog het industriële karakter uit van de voormalige fabriek doordat een aantal oude gebouwen bewaard zijn gebleven. Deze rijksmonumentale gebouwen worden ingepast in de woonwijk. Het terrein heeft hierdoor een plezierig woonklimaat.”

Fiets experience-center

Als speciaal onderdeel van het Enka-terrein noemt Weijland De Fietser, het grootste experience-center op tweewielergebied in Europa. Zo is er bijvoorbeeld een testbaan om de nieuwste fietsen van grote Nederlandse merken te proberen. “Je kunt daar ook fietsen huren om bijvoorbeeld de Veluwe op te fietsen”, zegt Weijland. “Zo kun je er een leuk dagje uit van maken.”

Levendigheid

Weijland verwacht dat de Veluwse Poort een stevige impuls zal geven aan de levendigheid en bedrijvigheid in en rond Ede. Het gebied trekt nu al veel nieuwe bewoners, maar in de toekomst zullen er ook mensen van buitenaf op afkomen.

“We verwachten bijvoorbeeld met het World Food Center minstens 200.000 bezoekers per jaar. Bezoekers en bewoners zullen hierdoor ook gebruikmaken van faciliteiten in het centrum van Ede, dus dat zal er zeker van profiteren.”

Dit centrum wordt momenteel heringericht, in samenspraak met bewoners. Zo zijn er drie nieuwe ontwerpen voor het nu wat kale marktplein. “De inwoners kunnen daar op reageren en aan de hand daarvan wordt het definitieve ontwerp gemaakt.”

Trots

Weijland is trots op deze ontwikkelingen in zijn stad: “Ook het station wordt de komende jaren volledig vernieuwd, met onder meer een volledig houten overkapping. Het wordt geschikt gemaakt voor veel meer reizigers en is in 2020 gereed. Ook dat is positief. Het gebeurt maar zelden dat je zo’n mooie wijk mag ontwikkelen, met de ligging bij een nieuw station en aan de rand van de Veluwe.”


Impressie van het World Food Center

Cees van Bemmel
Projectdirecteur World Food Center Development B.V.

Het World Food Center wordt een centrum met internationale allure rond voedselinnovatie, kenniscreatie en interactieve voorlichting. De verwachting is dat er in 2050 negen miljard mensen op de wereld zijn. Dat betekent dat de vraag naar voedsel zo’n zestig procent hoger ligt dan in 2012.

“Het is een grote uitdaging om al die mensen voldoende gezond eten en drinken te kunnen geven”, vertelt projectdirecteur Cees Van Bemmel. “Nederland is van oudsher sterk in productie en veiligheid van voedsel. Uiteraard moet ook in landen met veel inwoners kennis en kunde komen op dat gebied.

Nederland en andere Westerse landen hebben een voortrekkersrol wat betreft bijvoorbeeld gezondheid en preventie. Het World Food Center wordt een samenwerking tussen overheden, bedrijven en kennisinstellingen. Bedrijven in de voedingsindustrie willen voorlichting geven over bijvoorbeeld de productie en samenstelling van voeding. Ook daarvoor biedt het World Food Center goede mogelijkheden.”

Experience

De verwachting is dat jaarlijks zo’n 200.000 tot 300.000 mensen het centrum zullen gaan bezoeken, laat Van Bemmel weten. “We hopen hen enthousiast te kunnen maken over allerlei aspecten van eten en drinken. Dat zal op een leerzame en speelse manier gebeuren, uiteraard zonder mensen iets op te dringen. De bedoeling is dat het echt een experience gaat worden. Bij het ontwikkelen van het centrum worden we ondersteund door het Amerikaanse BRC Imagination Arts en Leisure Development Partners uit Londen die hier ervaring mee hebben.”

Het World Food Center draait om innovatie, het creëren en delen van kennis en interactieve voorlichting over alles wat met voedsel heeft te maken. Het gaat dus om zowel business-to-business als business-to-consumer activiteiten. Innovatie zal met name plaatsvinden met de Wageningen Universiteit, wat op een steenworp afstand ligt.

“Hun inbreng is van groot belang”, stelt Van Bemmel. “Niet alleen wat betreft wetenschappelijk onderzoek op het gebied van voeding, maar ook voor acquisitie van bedrijven die willen meedoen. Deze bedrijven kunnen voor hun Research & Development terecht bij de universiteit en voor consumentenactiviteiten bij ons. We zijn dus geen concurrenten van elkaar, maar vullen elkaar juist aan.”

De ligging van het toekomstige centrum is gunstig: midden in de Food Valley rond Wageningen, dat zich ontwikkelt tot hét agrofoodcentrum van Europa. De bereikbaarheid met zowel auto als openbaar vervoer is goed, met het treinstation binnen handbereik en de A12 en A30 op enkele minuten rijden.

Trekpleister

Van Bemmel verwacht dat het World Food Center een trekpleister zal worden voor mensen die een dagje weg willen. Zij kunnen een interactieve toer doen door het hele gebied en onderweg van alles meemaken en te weten komen over voeding en de hele voedselketen. “Ook kan ik mij voorstellen dat bezoekers daarna de Veluwe bezoeken, wandelend of per fiets en daarna nog een hapje gaan eten in het centrum van Ede.”

Het World Food Center zal een internationale uitstraling krijgen, voorziet Van Bemmel. Er is al contact met landen als India en China. “Van daaruit komen vragen over samenwerking, gebruikmakend van elkaars onderzoekscentra. Zij zouden ook een foodcentrum willen zoals wij dat ontwikkelen.

Van deze landen hebben we zelfs al bezoek gehad. Zo kan een netwerk over de hele wereld ontstaan. Dat bevordert de internationale uitwisseling van kennis met andere universiteiten en instellingen. Iedereen heeft immers zijn eigen kennisspecialisatie en daar kun je onderling gebruik van maken.”

Maar ook op kleinere schaal zal het World Food Center impulsen geven. Het is bijvoorbeeld goed voor de werkgelegenheid, want er zullen uiteindelijk zo’n 1000 à 1500 mensen werken. “Daarnaast zal het studenten en ook mensen vanuit het buitenland aantrekken, die hier korte of langere tijd zullen verblijven. Bovendien Zal het ook veel nieuwe food gerelateerde bedrijven gaan trekken. Deze ontwikkeling is goed voor de hele economie van de regio Ede.”

Categories
Uncategorized

Start-ups zien kansen in vastgoedsector

START UP 1

Stan de Ridder

Stan de Ridder
Wellsun

Transparante gevels die meer energie leveren dan dichte gevels met zonnepanelen en tegelijkertijd zorgen voor een ideaal binnenklimaat. Dat is waar Stan de Ridder van Wellsun wereld mee wil veroveren.

“Een dubbele gevel van glas met daarbinnen bewegende transparante zonnepanelen zorgt ervoor dat het hinderlijke, directe zonlicht wordt geweerd en met het hoogste rendement wordt omgezet in elektriciteit”, vertelt hij over de innovatieve zonnetechnologie met een slim zonvolgsysteem. “Zacht, diffuus daglicht wordt doorgelaten waardoor tot drie keer zoveel natuurlijk licht het gebouw binnenkomt en het toch koel blijft.

Dat scheelt enorm qua kunstlicht en airconditioning, waardoor het gebouw energiepositief wordt.” De Ridder verwacht vooral toepassing bij hoge gebouwen met grote glazen gevels. “Een bonus voor gemeenten als Amsterdam is dat opwarming van de stad wordt voorkomen. Ook blijft er op de gebouwen ruimte voor groene daken en waterberging.”

Impressies van Lumiduct gevel van Wellsun

/images/1003/GIF_Wellsun-(2).gif

STARTUP 2

Robert Sijtsma

Robert Sijtsma
Green3nergy

‘Iedere energiegebruiker in Nederland krijgt zijn eigen energiecentrale’. Dat is de visie van Robert Sijtsma, die met zijn bedrijf Green3nergy een slimme alles-in-een installatie ontwikkelt die de traditionale cv-ketel en meterkast vervangt.

“Door het integreren van meerdere duurzame oplossingen, zoals zonnepanelen, warmtepompen en accupakketten, maken we optimaal gebruik van het duurzame energieaanbod’. “Wij nemen de verantwoordelijkheid op ons voor het systeem en desgewenst ook het beheer. Van de nutsrekeningen blijft alleen de waterrekening over. Daarnaast is de modulaire installatie makkelijk uit te breiden voor meerdere energiegebruikers.”

Sijtsma richt zich daarmee op zowel de vastgoedmarkt als individuele huishoudens. “Samenwerking tussen verschillende sectoren is vereist om het Energieakkoord te laten slagen. Wij willen daarin graag een voortrekkersrol nemen.”


START UP 3

Dirk Huibers

Dirk Huibers
OCTO

Optimaliseren van gebouwen kan vaak zonder nieuwe meetapparatuur te plaatsen. Dat is het uitgangspunt van Dirk Huibers, co-founder van OCTO. “Wij kijken naar drie aspecten: de bezettingsgraad, comfort en gezondheid en energiegebruik”, vertelt hij.

“Door alle relevante datastromen in een gebouw te verbinden, ontstaat als het ware een dashboard voor de klant om het gebouwbeheer naar eigen inzicht te verbeteren. Aan de hand van een pasjessysteem of bewegingssensoren voor de verlichting zien we bijvoorbeeld hoeveel mensen er op een bepaalde tijd en in welke ruimte van het gebouw aanwezig waren.

Het ventilatiesysteem zegt iets over de luchtkwaliteit en de data over het energieverbruik zijn via de leverancier verkrijgbaar.” De dienstverlening is voornamelijk gericht op eigenaren of huurders van kantoren, hotels en scholen. Eind 2016 kreeg het bedrijf de Groene Baksteen van JLL, als veelbelovende start-up binnen de vastgoedmarkt.     

Impressies van software OCTO

/images/1003/GIF_OCTO.gif

START UP 4

Charles Smeets

Charles Smeets
BILDNG

Stel: je hebt een idee voor een project op een bepaalde plek of je zoekt nog een geschikte locatie daarvoor. Hoe weet je dan dat het daar succesvol zal zijn? Charles Smeets en zijn start-up BILDNG kunnen helpen.

“Wij beschikken over een groot aantal GIS datalagen die inzicht bieden in allerhande locatie-specifieke details. Demografisch, economisch, planologisch, milieutechnisch, echt alles. Deze informatie is beschikbaar via openbare bronnen, maar wordt slechts door een beperkt aantal partijen ingezet voor ontwikkelingen. Wij maken deze data toegankelijk in een handzaam instrument.”

En Smeets biedt méér: “We benutten de voorspellende waarde van deze data en bieden met econometrische analyses een toets voor het onderbuik-gevoel waarop veel partijen hun beslissingen baseren. Big data in de bouw dus. Nu werken we op basis van consultancy, maar met innovatieve klanten bouwen we aan een interface zodat ze zelf aan de slag kunnen.”

Categories
Uncategorized

“Startups en grownups hebben elkaar nodig voor groei en innovatie”

Zowel startups als grownups in de bouw worstelen met hun ontwikkeling, merkten de initiatiefnemers van Holland ConTech een jaar geleden. Startups bedenken slimme oplossingen en testen ze vlot met gebruikers, maar als ze moeten opschalen is vaak het geld op. Grownups moeten radicaal innoveren om relevant te blijven, maar dat is vanuit de eigen organisatie lastig voor elkaar te krijgen. “Startups zoeken klanten, grownups zoeken innovatie”, vat Schoorl samen. Een garde vernieuwende leiders binnen de sector laat volgens haar zien dat externe innovatie loont. “Het is mooi om vernieuwende leiders te horen zeggen: ‘Kom maar hier. Ik ga je helpen groeien en jij helpt mij innoveren. We hebben elkaar nodig.’ Dat zouden alle directeuren moeten doen. Door te experimenteren leer je sneller en innoveer je slimmer. Maak gebruik van de energie en nieuwe ideeën die een startup heeft. Daarmee geef je hen de kans om te laten zien wat ze kunnen.”

Goed begeleiden

Om die reden organiseert Holland ConTech matchmaking meetups waarin starters zich niet alleen presenteren aan grotere spelers, maar waarbij zij direct aan elkaar gekoppeld worden. “We vragen een startup wie hij als klant nodig heeft en brengen ze dan samen. Verbinden moet je goed begeleiden in deze sector”, stelt Schoorl. “Zo ondersteunen wij startups bijvoorbeeld ook in hun marketing en organiseren we boardroom meetings over innovatie met grote partijen.”

https://youtube.com/watch?v=uH-Hdaw19gY%3Frel%3D0

Mobiele dijk

De werkwijze heeft tot de groei van uiteenlopende initiatieven geleid. Niet alleen software-gerichte toepassingen als virtual reality en workflow-optimalisatie, maar ook fysieke oplossingen als een mobiele dijk die in twintig minuten operationeel is of het snel fabriceren van gewelfde betonconstructies met gebruik van ballonnen. En de potentie blijft groot. Schoorl: “We hebben nu tweehonderd startups in beeld. Je ziet vaak dat ze van buiten de sector komen en graag met een paar grote bouwbedrijven om tafel willen. Een voorbeeld is een bedrijf dat automatisch bouwplaatsen inscant met drones, of de toepassing van Net Promotor Scores. Meerdere bouwbedrijven maken daar nu gebruik van. Er is veel ambitie aan beide kanten. Die vinden elkaar steeds beter.”

Categories
Uncategorized

Sportcomplex Koning Willem Alexander biedt duurzame sportomgeving

Sportcomplex Koning Willem Alexander, het voormalig Huis van de Sport, bevat onder andere verschillende zwembaden voor wedstrijden en recreatie, een grote sporthal en een turncentrum. Het complex is zo ontworpen dat het 30 procent duurzamer wordt dan de norm die in het bouwbesluit is vastgelegd. Een combinatie van duurzame technieken en materialen moet dit resultaat mogelijk maken. Zo wordt er vergaande isolatie doorgevoerd in het dak, de vloer, de gevel en de kelder. Geavanceerd polystyreenschuim zorgt bijvoorbeeld dat het grondwater geen vat krijgt op de temperatuur van het water. Eveneens wordt er gebruikgemaakt van bufferputten, die het vuilwater van douches en de overloopgoten ondergrond opvangen, zodat dit gereinigd en hergebruikt wordt. De manier waarop met afvalwater wordt omgegaan, levert niet alleen een besparing in water op, maar ook energie. Het ‘oude’ water wordt bijvoorbeeld langs nieuw, schoon douchewater geleid om het alvast op te warmen voor gebruik.

Energie-oplossingen

Van de energie die nodig is om het complex draaiende te houden, moet minimaal 10 procent in het gebouw worden opgewekt. Onder andere door het gebruik van warmtepompen. De gemeente rekent deze opbrengst buiten de zonnepanelen op het dak, die zo’n 1.800 vierkante meter zullen beslaan. Gezamenlijk zijn zij goed voor 300.000 kWh per jaar, wat vergelijkbaar is met de jaarlijkse energieconsumptie van zo’n negentig huishoudens. Deze energie wordt direct gebruikt binnen het complex. Om de energiebehoefte zo laag mogelijk te houden, is er onder andere een uitgebreid lichtplan met led-verlichting ontwikkeld, wat volgens betrokkenen tot op heden niet gebruikelijk was voor sporthallen en zwembaden.

Categories
Uncategorized

Slim met stedelijke infrastructuur

“Niettemin is drukte een relatief begrip voor wie bedenkt dat de Nederlanders in hun steden veel meer ruimte hebben dan de inwoners van bijvoorbeeld Londen, Parijs en Brussel”, zegt Dijkstra. “Bovendien passen we ons aan de toenemende drukte aan. Er treedt gewenning op. Jaren geleden was het ondenkbaar dat het openbaar vervoer zo vol zou zijn als in Japan, waar mannen mensen de metro’s in duwen. Nu kijken we er al niet meer van op als we hutje-mutje in een overvolle trein staan. Ook aan files wennen we. Hoewel die met een beetje aandacht best vermijdbaar zijn, schuiven dagelijks toch weer veel mensen tussen zeven en negen aan in de rij. Een half uur vertraging calculeren we in. We zijn gewend geraakt aan drukke steden.”

Trends in steden

Ondanks die gewenning signaleert Dijkstra – die zijn laatste jaar vervult als Rijksadviseur – een aantal ontwikkelingen die hun weerslag hebben op de infrastructuur van steden. Eén ervan is de snelle toename van fietsgebruik en de zoektocht naar middelen om dit beter te faciliteren. “Er woedt al enige tijd een debat over het al dan niet creëren van meer ruimte in steden voor fietsers dat ten koste gaat van auto’s. Daarnaast heeft de komst van zelfsturende auto’s grote gevolgen voor de toekomstige inrichting en het gebruik van steden. Er gaan stemmen op dat het autogebruik zal afnemen, maar ook dat er juist een toename optreedt. Beide hebben gevolgen voor de stad. Op dit moment geloof ik het meest in het laatste scenario. De auto wordt ook steeds meer een verlengstuk van ons werk en woonkamer, en wordt slimmer ingezet. Zodoende verdwijnt op termijn het spitsuur en worden verkeersstromen meer over de dag verspreid.”

Infrastructuur die volstaat

De genoemde slimmere omgang met mobiliteit zorgt er volgens Dijkstra voor dat de aanwezige infrastructuur an sich – ook in de toekomst – volstaat voor toenemende verkeersstromen. “We kunnen ons richten op een andere inrichting ervan. In mijn functie van Rijksadviseur probeer ik de discussie hierover op gang te brengen en pleit ik ervoor anders in steden te investeren. Anders, door niet hoofdzakelijk geld te pompen in de ‘harde’ infrastructuur, maar ook in leefbaarheid en het slim organiseren van bereikbaarheid.” Hij illustreert het met een van zijn stokpaardjes; de ringwegen rondom steden die volgens hem een andere benadering verdienen. “De snelweg en de stad hebben vaak ruzie en ringwegen zijn pijnpunten vanwege de bakken herrie die ze met zich meebrengen, de uitstoot en de vaak foeilelijke geluidsschermen. De gebieden eromheen horen bij de stad, maar krijgen vaak weinig aandacht en kunnen aanzienlijk worden verbeterd zoals nu gebeurt bij de ringweg A7 die de stad Groningen doorkruist. De weg wordt verdiept en krijgt een brede overkapping. Hierop wordt later groen gerealiseerd, waardoor het aanwezige park dat ooit moest worden verkleind weer groter wordt, en het gebied langs de ringweg met de stad verbindt.”

Klaar voor drukte

Dijkstra richtte zich in zijn functie ook op stationsgebieden. Een gedegen infrastructurele aanpak daarvan leidt volgens hem ook tot een leefbaardere stad met voldoende capaciteit. “Het vernieuwde Rotterdamse stationsgebied is een goed voorbeeld. Ook daar is de drukte de laatste vijftien jaar fors toegenomen, maar het stationsplein was een rommelige opeenstapeling van logistiek, in plaats van een mooie entree. Nu zijn trams en bussen verplaatst naar de flanken, is de fietsenstalling ondergronds geplaatst en stapt de voetganger zonder te hoeven stoppen voor auto’s zo de stad in. Het gebied heeft voldoende capaciteit en ziet er fantastisch uit. Er is levendigheid. Mensen willen er wonen en werken. Het is een plek waar ruimte is gemaakt voor de stad om te groeien. Een goede infrastructurele aanpak in steden heeft dan ook aandacht voor zowel de logistiek als de kwaliteit van de omgeving.”

Niettemin is drukte een relatief begrip voor wie bedenkt dat de Nederlanders in hun steden veel meer ruimte hebben dan de inwoners van bijvoorbeeld Londen, Parijs en Brussel, zegt Dijkstra. “Bovendien passen we ons aan de toenemende drukte aan. Er treedt gewenning op. Jaren geleden was het ondenkbaar dat het ov zo vol zou zijn als in Japan waar mannen mensen de metro’s in duwen. Nu kijken we er al niet meer van op als we hutje-mutje in een overvolle trein staan. Ook aan files wennen we. Hoewel met een beetje aandacht die best vermijdbaar zijn, schuiven dagelijks toch weer veel mensen tussen zeven en negen aan in de rij. Een half uur vertraging calculeren we in. We zijn gewend geraakt aan drukke steden.”

Trends in steden

Ondanks die gewenning signaleert Dijkstra –die zijn laatste jaar vervult als Rijksadviseur- een aantal ontwikkelingen die hun weerslag hebben op de infrastructuur van steden. Een ervan is de snelle toename van fietsgebruik en de zoektocht naar middelen om dit beter te faciliteren. “Er woedt al enige tijd een debat over het al dan niet creëren van meer ruimte in steden voor fietsers ten koste van auto’s. Daarnaast heeft de komst van zelfsturende auto’s grote gevolgen voor de toekomstige inrichting en het gebruik van steden. Er gaan stemmen op dat het autogebruik zal afnemen maar ook dat er juist een toename optreedt. Beide hebben gevolgen voor de stad. Op dit moment geloof ik het meest in het laatste scenario. De auto wordt ook steeds meer een verlengstuk van ons werk en woonkamer, en wordt slimmer ingezet. Zodoende verdwijnt op termijn het spitsuur en worden verkeersstromen meer over de dag verspreid.”

Infrastructuur die volstaat

De genoemde slimmere omgang met mobiliteit zorgt volgens Dijkstra dat de aanwezige infrastructuur an sich –ook in de toekomst- volstaat voor toenemende verkeersstromen. “We kunnen ons richten op een andere inrichting ervan. In mijn functie van Rijksadviseur probeer ik de discussie hierover op gang te brengen en pleit ik ervoor anders in steden te investeren. Anders, door niet hoofdzakelijk geld te pompen in de “harde” infrastructuur, maar ook in leefbaarheid en het slim organiseren van bereikbaarheid.” Hij illustreert het met een van zijn stokpaardjes; de ringwegen rondom steden die volgens hem een andere benadering verdienen. “De snelweg en de stad hebben vaak ruzie en ringwegen zijn pijnpunten vanwege de bakken herrie die ze met zich meebrengen, de uitstoot en de vaak foeilelijke geluidsschermen. De gebieden eromheen horen bij de stad, maar krijgen vaak weinig aandacht en kunnen aanzienlijk worden verbeterd zoals nu gebeurt bij de ringweg A7 die de stad Groningen doorkruist. De weg wordt verdiept en krijgt een brede overkapping. Hierop wordt later groen gerealiseerd waardoor het aanwezige park dat ooit moest worden verkleind weer groter wordt en het gebied langs de ringweg met de stad verbindt.”

Klaar voor drukte

Dijkstra richtte zich in zijn functie ook op stationsgebieden. Een gedegen infrastructurele aanpak daarvan leidt volgens hem ook tot een leefbaardere stad met voldoende capaciteit. “Het vernieuwde Rotterdamse stationsgebied is een goed voorbeeld. Ook daar is de drukte de laatste vijftien jaar fors toegenomen maar was het stationsplein een rommelige opeenstapeling van logistiek, in plaats van een mooie entree. Nu zijn trams en bussen verplaatst naar de flanken, is de fietsenstalling ondergronds geplaatst en stapt de voetganger zonder te hoeven stoppen voor auto’s zo de stad in. Het gebied heeft voldoende capaciteit en ziet er fantastisch uit. Er is levendigheid, mensen willen er wonen en werken. Het is een plek waar ruimte is gemaakt voor de stad om te groeien. Een goede infrastructurele aanpak in steden heeft dan ook aandacht voor zowel de logistiek als de kwaliteit van de omgeving.”

Categories
Uncategorized

Slimmer bouwen dankzij digitalisering

In een almaar veranderende wereld krijgt de bouw te maken met gecompliceerde opgaven. Met een stijgende vraag naar woningen, de trek naar steden en strengere regelgeving op terreinen als duurzaamheid is efficiënt werken noodzakelijk. Traditionele tekeningen maken dat echter niet voldoende mogelijk, meent bouwconcern Dura Vermeer. Een van de redenen waarom het de laatste jaren fors inzet op BIM.

Binnen Bouw Informatie Management worden in een 3D-model gegevens over het bouwproces gedeeld en uitgewisseld met alle partijen in de keten. Zo beschikken bijvoorbeeld architecten en partners in hetzelfde model over dezelfde gegevens zoals tekeningen en calculaties. Een ontwerp staat dus niet alleen meer op papier, maar is digitaal. Hiermee is het mogelijk om alle informatie zoals planning, tekeningen maar ook leveranciers en garanties in één model te zetten. Er ontstaat dus een informatiemodel. “De partners kunnen hun productieprocessen beter op elkaar afstemmen. Daarnaast verschaft het informatiemodel inzicht in de verschillende taken en waar mogelijke fouten zich voordoen. Daardoor ontstaat efficiëntie en verloopt de bouw sneller. Risico’s worden beperkt en faalkosten nemen af. Ook is het bouwproces transparanter. Al met al betekent dat meer kwaliteit en waarde voor klanten. Zo kunnen we op termijn ook flexibeler aanbieden, en woningen later en breder aanpassen. De samenwerking in de hele supply chain helpt ons bovendien van anderen te leren; zowel van partners als van klanten”, zegt Jurjen Haitsma, directeur Dura Vermeer Bouw Zuid West.

Verschuiving

Binnen Dura Vermeer wordt samengewerkt volgens één BIM-protocol. De laatste jaren maakte het bedrijf een verschuiving door. Waar het zich eerst voornamelijk richtte op de bouw, voegde het ook design toe aan het takenpakket als gevolg van de toenemende vraag naar Design & Build-contracten. Dura Vermeer neemt dus design op zich, ontwikkelt, bouwt en draagt zorg voor onderhoud, beheer en exploitatie. “Doordat we kennis uit de bouw kunnen gebruiken in de ontwerpfase kunnen we de wensen van de klant beter toepassen en vroeger in het proces met passende oplossingen voor hun vraag komen. Daarbij is software in al die fasen natuurlijk onmisbaar. Ook in de beheer- en exploitatiefase is kennis over het gebouw onontbeerlijk om onder andere onderhoud te plannen”, zegt Haitsma. De acht jaar oude samenwerking met technologie- en softwareontwikkelaar Autodesk intensiveert dan ook de laatste jaren.

“BIM wordt mainstream”

Autodesk levert Dura Vermeer de BIM-software. “BIM wordt de komende jaren steeds meer mainstream en uiteindelijk de orde van de dag”, voorspelt Thasarathar. Hij is strategist  construction, energy en natural resources bij Autodesk en wordt gezien als een belangrijke thought leader. Autodesk bedient ook andere branches zoals de media- en entertainmentindustrie. De opgedane kennis uit die verschillende werelden zorgt voor een kruisbestuiving die meerwaarde oplevert. Technieken uit de gamingindustrie bijvoorbeeld worden nu gebruikt om klanten via een virtual reality-bril een 3D-ervaring te bieden van een huis.

Naast deze techniek en BIM gaan volgens Thasarathar nog een aantal andere technologische en digitale ontwikkelingen de bouw beïnvloeden. “Er bestaat nu al een ontzettend wijde range aan technologieën zoals 3D-printing, drones, robotics, augmented reality en cloud computing. We hebben te maken met veel trends tegelijkertijd.”

Verbanden leggen dankzij de cloud

Hoe al die verschillende vernieuwingen geïntegreerd samenkomen is nog onduidelijk. Wel schetst Thasarathar drie te verwachten trends. De eerste behelst een verandering in productiewijzen. Onder meer cloud computing draagt hieraan bij. De cloud kan een onbeperkte hoeveelheid data over een potentiële bouwlocatie bevatten die ook nog eens altijd, op elke plaats en voor alle gewenste partijen is in te zien. Door koppeling van die data – die bijvoorbeeld iets zeggen over de eigenschappen van de locatie – en combinatie met andere slimme tools is verbanden leggen een stuk eenvoudiger. “Voor een bouwproces zijn er duizenden opties denkbaar. Hoe vul je de vierkante meters precies in om te komen bij het gewenste doel? Nieuwe technologieën en data zorgen voor betere en slimmere antwoorden”, vervolgt Thasarathar.

Haitsma onderschrijft dit vanuit de praktijk. Dankzij digitalisering en nieuwe technologieën komen er slimmere antwoorden en kan de focus bij Dura Vermeer steeds meer op klantwaarde liggen. “Met betere visuals en 3D-modellen is precies te zien hoe een pand eruit gaat zien. Dat geeft klanten veel meer inzicht en een gevoel of ervaring bij de mogelijkheden en de kans om aanpassingen te maken. Daarmee hebben ze dus ook meer invloed.”

Crowdsourcing en slimme producten

Een tweede ontwikkeling die Autodesks thought leader voorziet, heeft te maken met een meer betrokken eindklant. “Iedereen is doorlopend connected met smartphones en tablets, waardoor ook bouwprojecten meer in de spotlights staan. Denk aan social media. Het mooie hieraan is dat het publiek meer betrokken is en dat een fenomeen als crowdsourcing kan bijdragen aan de beste bouwoplossing. De eindklant komt immers veel dichterbij organisaties te staan dan voorheen. In navolging daarvan zijn nieuwe financieringsmogelijkheden zoals crowdfunding een optie. Een praktijkvoorbeeld is de Rotterdamse Luchtsingel, een voetgangersbrug tussen stadsdelen die door het publiek werd bekostigd.”

Ten slotte hebben slimmer wordende producten invloed op de bouwsector. Zo herbergen sensoren die in prijs dalen immens veel data. “Die – bij wijze van spreken – in het beton strooien levert ontzettend veel informatie op over het gebruik van een stad of een gebouw en kan helpen de toekomstige vraag te voorspellen”, zegt Thasarathar. Op die manier is na te gaan waar en waarheen mensen zich binnen een stad begeven en welke ruimtes in een pand minder worden gebruikt. Daarop is in te spelen met marketing, bedrijfsvoering en aanpassingen van een gebouw. Ook Dura Vermeer gaat in haar kantoren op zeer korte termijn werken met sensoren die ‘weten’ wanneer er opnieuw moet worden geschilderd, of hoeveel werkplekken in gebruik zijn.

Het Slimme Huis

In Rijswijk moet dit jaar het Slimme Huis van de ontwikkelende bouwer zijn gerealiseerd. Dat komt vol te hangen met sensoren. Haitsma: “We willen graag weten wat er voor data uit onder meer licht, geluid, CO2-gehalte, het verblijf in ruimtes en temperatuur komen. In de toekomst kunnen woningen ‘weten’ wanneer mensen binnen of buiten zijn, zodat temperatuur en licht daarop zonder hun omkijken kunnen worden aangepast. Zelfdenkende woningen zijn op korte termijn een reële optie.”

Via The Internet of Things worden alle apparaten in deze slimme woning gekoppeld. Op deze manier leert de woning de bewoner en diens patronen kennen om daarop in te spelen met kwaliteit en comfort. Ook kan de woning sturen op afwijkingen van deze patronen op het gebied van gezondheid en veiligheid. Het doel is om het concept uiteindelijk op grote schaal in de consumentenmarkt te introduceren.

3D-scans

Dura Vermeer wil koploper zijn in (digitale) innovaties en gebruikt ook andere nieuwe technologieën om het werk efficiënter uit te voeren. 360 graden-fotografie op bouwlocaties helpt – na invoering van de betreffende beelden in BIM – bij het lokaliseren van eventuele problemen en maakt het ook mogelijk om te controleren of er wordt voldaan aan veiligheids- en andere normen. Advin, het advies- en ingenieursbureau van Dura Vermeer, beschikt over een mobiele 3D-scanner die wegen scant om de onderhoudsbehoefte te peilen. Daarnaast wordt deze technologie toegepast bij panden om de eventuele noodzaak tot onderhoud en opties voor transformatie in kaart te brengen.

Nieuwe technologieën helpen bij het personaliseren van vastgoed; een trend die we volgens Thasarathar steeds meer gaan zien. “Aan de andere kant van het spectrum zien we juist de noodzaak tot prefabricatie en standaardisatie in woningen om aan de enorme vraag te kunnen voldoen”, vervolgt hij.

Taken voor de toekomst

Er kan nu en in de toekomst veel winst worden behaald met nieuwe technologieën. Thasarathar vertelt dat ze zorgen voor kortere oplevertijden, net zoals BIM dat nu al doet. Jurjen Haitsma ziet nog wel uitdagingen in het ondersteunen van anderen in de keten. “We maken echt stappen. Software verbindt al onze mensen, over alle afdelingen heen. Maar veel partners zijn nog niet gewend aan BIM, dus stoppen we daar nog veel energie in. BIM verregaand doorvoeren is een noodzakelijke stap, dat snappen zij ook. Maar de koppeling van BIM aan hun bedrijfsvoering of aanvoering van hun productiesysteem is vaak een issue. Als we alle informatie uit het model toegankelijk maken ontstaat een win-winsituatie voor de gehele keten. Er wordt meer van de bouw gevraagd en tegelijkertijd moeten we omgaan met hogere eisen in energie- en grondstoffengebruik. Dat vraagt om een nieuwe manier van werken. Maar die heeft wel de toekomst.”

Categories
Uncategorized

Slimme constructies voor nieuwe kantoor EPO

Ontwerp, uitvoering en controles zijn in één hand. De opdrachtgever toetst slechts of alles volgens de afspraken gebeurt. “Een unieke contractvorm met voordelen voor alle partijen”, stellen projectdirecteuren Michel Hoogendoorn en René Hersbach. EPO stelt hoge eisen aan verlichting, klimaatbeheersing, akoestiek en duurzaam energiegebruik van zijn nieuwe pand. Bovendien wil de Europese octrooiorganisatie zo min mogelijk zorgen hebben over het ontwerp en de uitvoering van het bouwplan. Een uitdaging voor de TBI-bouwcombinatie J.P. van Eesteren, Croon Elektrotechniek en Wolter & Dros (de laatste is gespecialiseerd in werktuigbouwkundige installatietechniek), die al meer integrale projecten op zijn naam heeft staan en erin slaagde de opdracht van EPO binnen te halen.
Door bundeling van expertise komen de samenwerkende ondernemingen tot innovatieve concepten. Voor EPO hebben ze een stalen gebouw ontworpen, waarbij alle installaties in de holle vloeren zijn verwerkt. Hierdoor kunnen zij aan de gestelde eisen voldoen. Andere voordelen van de stalen constructie zijn dat er sneller gebouwd kan worden en dat er ruimtewinst wordt geboekt.
Het langwerpige gebouw krijgt 26 verdiepingen en wordt circa 107 meter hoog, 150 meter lang en slechts 12,6 meter breed. Nooit eerder werd in Nederland een stalen gebouw van deze omvang neergezet. Vorige maand is begonnen met het optrekken van de staalconstructies. In november van dit jaar heeft het naar verwachting zijn hoogste punt bereikt. In 2017 moet het klaar zijn.
Voor de duur van het project hebben de TBI-bedrijven een aparte onderneming opgericht onder de naam New Main B.V., die ze hebben gehuisvest in een leegstaand kantoorpand pal tegenover de bouwplaats. De circa honderd medewerkers die bij New Main B.V. zijn gedetacheerd, kunnen hun werk op die manier letterlijk volgen. “We staan er met onze neus bovenop”, zegt René Hersbach, die is aangetrokken als algemeen projectleider. Michel Hoogendoorn, directeur Integrale Projecten van bouwonderneming J.P. van Eesteren, is primair verantwoordelijk voor de constructie en de bouw. Daarnaast is een financieel directeur toegevoegd aan de leiding van de gelegenheids-B.V. Dit trio stuurt niet alleen de eigen medewerkers aan, maar ook architecten, constructeurs, bouwkundig adviseurs en andere ingehuurde krachten.
De zogeheten methode van Design & Construct heeft vooral toegevoegde waarde bij grote, complexe projecten en beleeft de laatste jaren een enorme opmars. Het EPO-project is een toonaangevend voorbeeld van de nieuwe werkwijze, menen Hersbach en Hoogendoorn. Niet alleen door de bijzondere constructie van het gebouw, maar vooral ook door de innovatieve organisatie en de unieke wijze waarop de afspraken met de opdrachtgever zijn vastgelegd.

“De bouw is nu ruim een jaar bezig, maar we zijn nog steeds aan het ontwerpen”, zegt Hersbach. “Op die manier willen we zoveel mogelijk tegemoetkomen aan de wensen van de klant. Dit kunnen we doen, omdat we zelf aan het stuur zitten. Wij bepalen wanneer welke beslissing genomen moet worden. Dat scheelt veel tijd. Als je eerst moet wachten op een bestek, vervolgens gaat aanbesteden en dan pas bouwen, ben je twee keer zo lang bezig.”

Voor het ontwerp zijn de gerenommeerde Franse architect Jean Nouvel en het Amsterdamse bureau Dam & Partners Architecten aangetrokken. Zij maken deel uit van het team. Ontwerp en uitvoering lopen door elkaar. Dat is even wennen voor alle medewerkers. Er is geen bestek en de tekeningen worden voortdurend getoetst. Na elke fase wordt geverifieerd of de uitvoering voldoet aan de contracteisen van de klant. Medewerkers moeten hun eigen werk controleren. Hoogendoorn: “Ze hoeven niet meer langs de opzichter om hun werk te laten goedkeuren, maar moeten zelf een checklist bijhouden en eventuele afwijkingen melden. Sommigen worden daar onzeker van. Ze willen graag een stempeltje als bevestiging dat ze het goed gedaan hebben. Maar vooral jong afgestudeerden van een hbo- of TU-opleiding vinden het prachtig. Ze hebben geen last van uitgesleten gewoontes en werken graag zelfstandig.”
Hersbach: “De meeste medewerkers hebben we enthousiast gekregen voor onze nieuwe manier van werken. Als die doorzet, worden controlerende functies als opzichter hopeloos ouderwets. De grootste deskundigheid zit bij de mensen die het werk uitvoeren. Laat hen dan ook aantonen dat ze het goed gedaan hebben. Ik ben er trots op dat we de organisatie zo ver gekregen hebben.”

Het bouwproces is in werkpakketten verdeeld. Bijvoorbeeld de paalfundering, waarvoor een halfjaar nodig was. Voor elk werkpakket is een verificatiematrix,  waarin alle afspraken en wijzigingen worden bijgehouden. Als een fase is afgerond, wordt die opgeleverd aan de klant. Daardoor zal de eindoplevering naar verwachting een formaliteit zijn. De administratielast is in het begin relatief hoog, maar aan het eind van de rit waarschijnlijk minder dan bij traditionele bouwprocessen. Hoogendoorn verwacht per saldo meer efficiency: “Maar dat moet natuurlijk nog blijken. We maken een soort ontdekkingsreis, waarbij we steeds voor nieuwe vragen staan en steeds op zoek gaan naar de beste oplossing. Het is geen routineklus.”

Na voltooiing van het project heeft EPO nog tien jaar garantie op de werkzaamheden. Daarmee is de opdrachtgever ruimschoots ingedekt tegen bouwrisico’s.
Hersbach: “Toch vraagt deze nieuwe manier van werken ook het nodige van de klant en dat heeft EPO heel goed opgepakt. EPO laat zich ondersteunen door eigen adviseurs en deskundigen die elke fase tegen het licht houden. Over omstreden punten praten we net zo lang tot we consensus hebben bereikt. Dat schept vertrouwen. Beter dan dat de opdrachtgever het ontwerp in de kast legt en pas bij de eindoplevering oordeelt of het resultaat aan de eisen voldoet. Tot nu toe krijgen we maar een beperkt aantal opmerkingen, dus kennelijk doen we het goed.”

Categories
Uncategorized

Ruimte scheppen is: schrappen en terug stappen

Tegelijk biedt techniek steeds nieuwe mogelijkheden, terwijl klimaatverandering ook nieuwe eisen stelt. Zo transformeren onze historische binnensteden tot groen of blauwe ‘Smart cities’.

Regeren én ondernemen is vooruitzien. Dus moeten overheid en marktpartijen actief inspelen op verandering. Maar kan dat wel? Enorm ingewikkelde ruimtelijke wet- en regelgeving vertraagt de realisatie van nieuwe bouwplannen járenlang. Dan sluiten ze soms niet meer aan op klantwensen van het moment waarop ze gerealiseerd gaan worden. Daar mag dus flink de bezem door. Regels schrappen en vereenvoudigen is hard nodig. We willen ruimte om te wonen, winkelen en ondernemen. Een stap terug door de overheid zou parallel heel goed zijn. Schep ruimte, faciliteer – en laat bewoners, winkeliers, ontwikkelaars en andere ondernemers zelf initiatieven ontplooien. Dat past ook uitstekend bij de Omgevingswet, die in 2018 komt. We zijn allang de tijd voorbij dat via grote Ruimtelijke Nota’s of op het stadhuis bedacht werd wat goed voor ons was.

Dynamisch domein

Maar regelzucht is helaas moeilijk te beteugelen. Een voorbeeld is de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’. Bedoeld als een ‘afwegingskader’ hindert dit instrument nu mooie en nodige initiatieven. De ladder staat symbool voor vertraging en juridische kosten. In het kader van minder regels zou die wat mij betreft meteen afgeschaft moeten worden.

De nieuwe omgevingswet gaat helpen om steden, dorpen en (nieuwe) wijken beter in beweging te krijgen. Heel goed, want onze ruimte is geen statisch gebied, maar een dynamisch domein. Zeker in de binnenstad, waar van alles door elkaar loopt. In een gebied met de expliciete bestemming ‘zorg’, blokkeert de gemeente nu nog de bouw van zorgaangepaste woningen. Want in zo’n huis wóón je vooral. Dus: bestemming ‘wonen’. Exit dus voor de ontwikkelaar die daar een leegstaand zorgpand wilde transformeren tot locatie voor ‘zware zorg’ én zorgwoningen. Maatschappelijk nodig en gewenst, toch mocht het niet.

Een veel meer integrale en globale blik is nodig. Regels zijn nuttig, maar afwijken moet kunnen. Belangen moeten beter tegen elkaar afgewogen kunnen worden. Die nuchtere benadering is hard nodig, zeker in onze steden!

Categories
Uncategorized

Revolutionaire netwerktechnologie voor verlichting van morgen

Slimme verlichting van Ziut

Veel gemeenten zetten fors in op energiebesparing en duurzaamheid. Het duurzamer maken van de straatverlichting is daar een belangrijk onderdeel van. Openbare verlichting vormt een enorm energiebesparingspotentieel, ongeveer 70 % van het gemeentelijke energieverbruik gaat er aan op. Wanneer gemeenten van middernacht tot zes uur ‘s ochtends de verlichting dimmen, kan er ruim 60% van de energiekosten worden bespaard. Sommige gemeenten kiezen er voor om verlichting helemaal uit te schakelen, om energie en lichthinder te verminderen . Zij leveren daarbij echter ook in op veiligheid van de openbare ruimte. De nieuwe, slimme lantaarnpaal van Ziut, specialist in toepassingen voor de openbare ruimte, maakt het mogelijk om energie te besparen op verlichting zónder in te boeten op veiligheid.

Energiezuinige verbinding

De lantaarnpalen worden op de afstand aangestuurd door het zogenoemde LoRa-netwerk van KPN. LoRa is een revolutionaire, nieuwe netwerktechnologie die data over langere afstanden verstuurt. Via een LoRa-verbinding geef je apparaten op afstand snel en efficiënt eenvoudige opdrachten die weinig energie verbruiken, zoals aan of uit. Of dimmen, in het geval van de slimme verlichting. Dankzij LoRa kun je de verlichting ook handmatig op afstand dimmen, of de lantaarns in- of uitschakelen. De lantaarnpaal gebruikt LoRa zelf ook, om aan te geven dat hij gerepareerd moet worden. De slimme lantaarnpaal geeft heel precies aan welk onderdeel vervangen moet worden. Zo zijn storingen sneller en efficiënter op te lossen. Dat de lantaarnpalen snel en per stuk op afstand bedienbaar zijn, komt door een combinatie van technieken van KPN en Ziut. Het managementplatform van Ziut communiceert gegevens als het aantal passanten van de lantaarnpalen over het LoRa-netwerk van KPN. Daarmee zijn lantaarnpalen snel, betaalbaar, veilig en per stuk op afstand te bedienen.

Meshnetwerken

Het op afstand bedienen van lantaarnpalen is niet nieuw. Het gebeurt al via zogeheten meshnetwerken, waarbij apparatuur in de lichtmasten draadloos communiceert met de naastgelegen lichtmasten en zo een lokaal netwerk opzet. Via een gateway wordt vervolgens de data van groepen lichtmasten doorgegeven aan de server. Het nadeel hiervan is dat de prijs per lantaarnpaal relatief hoog is wanneer er weinig lantaarnpalen worden gebruikt. Bovendien is de betrouwbaarheid van meshnetwerken niet optimaal. Bij het LoRa-netwerk maakt het voor de kosten niet uit of je 1 of 1.000 lantaarnpalen bedient. Voor relatief kleine datapakketten is het LoRa-netwerk de beste oplossing. Bestaande 2G-, 3G- of 4G-netwerken zijn weer geschikter om grotere datapakketten te versturen. Wie dus bijvoorbeeld een lantaarnpaal met een camera uitrust en de beelden realtime wil kunnen doorsturen, kan beter deze vorm van Machine-to-Machine (M2M)-connectiviteit gebruiken.

Internet of Things

Het Internet of Things (IoT) is een ontwikkeling waarbij steeds meer objecten (machines, voertuigen maar ook mensen en dieren) verbinding maken met internet. De slimme straatverlichting past in die technologische megatrend. Zo kunnen al deze objecten met elkaar communiceren of op afstand bediend worden. Met de data die de verbonden objecten delen, worden nieuwe, slimme toepassingen mogelijk. KPN levert hier al jarenlang de bouwstenen voor: connectiviteit, slimme objecten en sensoren (samen met partners ontwikkeld) en data-oplossingen. Zo draagt KPN bij aan slimme verbindingen voor bijvoorbeeld mobiele betaalautomaten of de connectiviteit in auto’s. LoRa wordt gezien als dé nieuwe netwerktechnologie voor IoT. Deze energiezuinige, kostenefficiënte technologie waarmee kleine hoeveelheden data over zeer lange afstand verstuurd kunnen worden, brengt het Internet of Things snel in een stroomversnelling.

Sensoren

KPN werkt daarom nu hard aan het aanleggen van het LoRa-netwerk in Nederland, te beginnen met de grote steden Den Haag en Rotterdam. Eind juni moet er een landelijk dekkend netwerk zijn. De verwachting is dat er over 10 jaar talloze slimme toepassingen in ons dagelijks leven zijn die hier gebruik van maken. De ingrediënten hebben we al: een opstelpunt voor apparatuur (in dit geval de lantaarnpaal), elektriciteit en een betrouwbare netwerkverbinding. Op termijn kunnen bijvoorbeeld sensoren voor de luchtkwaliteit of geluidssensoren aan een lichtmast komen te hangen. Ook het detecteren van verkeersdrukte of voetgangersstromen is een denkbare toepassing, evenals de bewaking van dijken. De mogelijkheden zijn eindeloos. De enige beperking is onze fantasie!

KPN EN HET INTERNET OF THINGS

Internet of Things (IoT) wordt mogelijk door drie bouwstenen: connectiviteit, smart device/sensor en datamanagement. Connectiviteit is de mogelijkheid om verbinding met te maken met internet. Dat kan draadloos via mobiele netwerken zoals 2G, 3G, 4G of LoRa of via vaste verbindingen zoals koper of glasvezel. Maar een device of sensor wordt pas echt slim wanneer er ook echt iets gebeurt met de data die hij verzamelt. Hier komt datamanagement om de hoek kijken: het opslaan, analyseren en correct interpreteren van de Big Data. Zo wordt data informatie. Die leidt weer tot nieuwe inzichten. KPN levert al jarenlang de bouwstenen voor IoT. We bieden alle mogelijke vormen van connectiviteit en kunnen, al dan niet met partners, devices en datamanagement bieden. KPN draagt graag zo bij aan de vestiging van een innovatief, open en succesvol IoT-ecosysteem in Nederland.

Categories
Uncategorized

Renoveren én moderniseren


Paul Hoeijmans
Hoofd Real Estate Management en Adjunct Directeur Facility Services

Paul Hoeijmans is hoofd Real Estate Management en adjunct directeur Facility Services van Tilburg University, hij vertelt over de aanpak daarvan. We gaan gefaseerd van ouderwets naar modern en flexibel. Dat geldt voor de hele universiteitscampus, zowel kantoren als collegezalen. Medewerkers werken tegenwoordig anders dan vroeger, laptops en telefoons zijn steeds moderner, maar de werkomgeving is dat nog niet. Veel van onze kantoorpanden hebben de evolutie naar moderne werkomgevingen nog niet doorgemaakt. Die verandering zijn we nu aan het starten.” Het bijzondere in hun aanpak is, dat alle medewerkers betrokken worden bij de nieuwe gebouwinrichting. “We vragen hoe vaak iemand thuis werkt, hoe vaak hij vergadert, geconcentreerd PC-werk doet en hoe vaak er behoefte is aan een gezamenlijke ruimte voor overleg of ontmoeting. Dat doen we met een enquête die ongeveer een uur tijd in beslag neemt. De informatie daaruit wordt verwerkt in datasets met behulp van de softwaretool WPA (Work Place Analytics). Met die resultaten heb je al bijna een optimale gebouwinrichting, maar dat is voor ons slechts het eerste stukje onderzoek. We gaan met die set opnieuw in gesprek met medewerkers via uitgebreide brainstormsessies. Als je een huis inricht, moet je dat met de bewoners doen, niet vanachter een bureau. In die sessies richten we samen met hen het gebouw zo optimaal mogelijk in, passend bij hun werkbehoeften. Niet alleen waar nog wandjes moeten komen, maar juist ook inrichting en sfeer bespreken we dan uitvoerig.”

Elkaar tegenkomen

Voor een aantal medewerkers voelde de transitie naar moderner werken in de beginfase als een beladen verandering. “Er bestond nog niet zo’n goed beeld van de veranderingen in werkomgeving en hoe dat uit zou pakken. Er zijn immers zeker niet alleen positieve berichten te vinden over dit soort aanpassingen. We kunnen nu echter wel spreken van een win-win situatie. We benutten de ruimtes veel beter én mensen krijgt een omgeving die ook echt bij hun eigen manier van werken aansluit. Het is voor mensen in het begin wel echt wennen dat die werkplek niet meer persé voor iedereen een vast kantoor hoeft te zijn. Soms is die werkplek thuis, soms in een lounge of overlegruimte en soms een PC-werkplek”. Nog steeds zijn er functies die vragen om een vaste stek, maar tegenwoordig zijn er dat echt vele malen minder dan vroeger. De enquête en brainstormsessies laat mensen dat ook zien. Het eerste gebouw volgens deze aanpak staat momenteel in de steigers en is volgend jaar zomer klaar. “Mens
en wilden transparanter, lichter en ruimtelijker, dus er komt meer glas zodat medewerkers elkaar daadwerkelijk kunnen zien. Alleen al door dat glas en zoiets als een slimme plek voor de koffiemachine, kunnen twee wetenschappers – die elkaar voorheen niet zagen – elkaar nu zomaar tegenkomen en tot een grandioos idee komen”, lacht Hoeijmans. “Dat is precies wat je wilt, een evolutie naar open kennis(makings)structuren.” Hoe de werkplekken vorm krijgen, is afhankelijk van de werkzaamheden. “Activity based working: voor de één betekent het een gedeelde set aan diverse werkplekken, voor een ander nog steeds een eigen vaste werkplek. Zelf heb ik mijn ‘kantoor’ altijd bij me; met laptop en telefoon kan ik overal werken waar ik maar wil. Dat past bij mijn soort werk, maar zeker niet bij iedereen. Als we dat samen zien, kunnen we ook samen de optimale werkomgeving bouwen.”

Prettiger werken

Hoeijmans verwacht dat medewerkers met meer plezier zullen gaan werken. “Je ziet elkaar meer door de openheid en je heb de mogelijkheid een plek te kiezen die past bij de activiteit die je op dat moment moet doen. Deze modernisering van ons vastgoed heeft als uitgangspunt het slimmer en efficiënter omgaan met onze ruimtes, stenen zijn immers duur. Door ruimtes slimmer te gebruiken, zijn er minder vierkante meters nodig en kunnen we die middelen inzetten voor onze core business: onderwijs, onderzoek en valorisatie. We streven daarbij naar gebouwen waarin mensen graag willen werken of studeren. Een mooie ontwikkeling van de universiteitscampus naar een duurzame moderne leer-, woon-, en werkomgeving.”