Categories
Uncategorized

Duurzaam kantoor als strategisch instrument in de ‘war for talent’

In de strijd om talent heeft het kantoor strategische waarde gekregen, stellen enkele voorlopers in de markt. Op de bovenste verdieping van ‘s werelds duurzaamste kantoor The Edge gingen we in gesprek. De voorspelling – van een decennium geleden – dat kantoren als werkplaats niet meer nodig zouden zijn, is onjuist gebleken. In tegendeel: mensen zoeken elkaar steeds meer op. Je bent steeds meer afhankelijk van anderen om prestaties te kunnen leveren. Zonder interactie is er bijvoorbeeld geen innovatie mogelijk. Als je ergens niet bij bent, mis je de boot. Er is een groeiende behoefte om fysiek samen te werken. Kantoren zijn er om dat te faciliteren, stelt Tom Jochems, Head of Real Estate & Facilities Randstad. “Veel teams werken bij ons volgens het Lean principe en komen iedere ochtend bij elkaar voor een ‘stand up’. Daarvoor kom je het liefst fysiek bij elkaar.” Maar ook buiten het eigen bedrijf is het nodig om (toevallige) ontmoetingen te faciliteren, stelt Ellis ten Dam, Director Business Unit Royal Haskoning-DHV en Board Member van CoreNet Benelux. “Bedrijven werken niet meer alleen. Ze staan in verbinding met de buitenwereld, bijvoorbeeld door samenwerking met start-ups. De community die je rondom een corporate vormt moet je de ruimte geven die ze nodig heeft.”

Gebruiker moet leidend zijn

De modernisering – en vooral verduurzaming – van kantoren richtte zich tot voor kort vooral op de stenen. Zoals in het voorgaande doorklinkt, is het echter de gebruiker die leidend moet zijn, stelt Wouter Oosting, Senior Director Workplace Strategies bij CBRE. Talent werven en behouden staat bij veel organisaties hoog op de agenda. “Een sterk bedrijf wordt gevormd door succesvolle mensen. Om mensen maximaal te laten presteren, moeten ze goed in hun vel zitten en kunnen werken in een gezonde werkomgeving, die positief bijdraagt aan de kwaliteit van leven. Bedrijven die dit begrijpen zijn hierin succesvoller.” De arbeidsmarkt is veranderd. Medewerkers willen op een boeiende plek werken, waar zij betekenisvol kunnen zijn. Er moet reuring en dynamiek zijn, beleving; een plek moet de cultuur weerspiegelen van het bedrijf. De genoemde toevallige ontmoetingen vinden plaats op marktpleinen en andere gebieden waar mensen op een laagdrempelige manier bij elkaar kunnen komen. Zo’n plek mag niet verstorend werken, zegt Jan Hein Tiedema, Managing Director van OVG Real Estate dat onder andere The Edge ontwikkelde. Wat als secundair gezien werd, zoals een restaurant, ontmoetingsplekken en plaza’s, is nu een primaire zaak geworden, vat Oosting samen.

Openheid realiseren

Jochems werpt een blik op de praktijk. Randstad staat aan de vooravond van een grootscheepse verbouwing van het hoofdkantoor. Binnen dezelfde muren van het pand dat reeds vijfentwintig jaar in gebruik is, wordt vooral meer openheid gerealiseerd. Om samenwerking te ondersteunen is het goed om de dynamiek van de organisatie te laten zien, meent Jochems. Vanuit die gedachte kijk je naar wat dat voor werkplekken betekent. Behalve de meer reguliere bureaus bijvoorbeeld ook plekken om rustig te bellen of om kort staand te werken. Informatiedeling komt ook centraal te staan. “Het geld wordt niet op het hoofdkantoor verdiend, maar in het land. We moeten zichtbaar maken hoe het daar gaat.”

Voldoende daglicht, een frisse neus halen, geen geraffineerde suikers; we weten allemaal dat het goed voor ons is. Er wordt echter nog onvoldoende rekening mee gehouden in de kantooromgeving. De invloed van de kantooromgeving op productiviteit en ziekteverzuim is volgens Ten Dam inmiddels ruim voldoende aangetoond door de wetenschap. Zij benadrukt ook het belang van diversiteit. Behoeften verschillen tussen mensen. Een moderne organisatie weet ze allemaal te bedienen. Dat vraagt om een cultuuromslag. Dat zit hem in meerdere dingen, weet Jochems: “Je kunt een aangepaste bureaustoel hebben, maar het probleem is juist dat je de hele dag op die stoel zit.” Moderne technologie kan helpen bij die omslag. Steeds meer kantoren beschikken – in vergelijking met enige jaren geleden – over een veelvoud aan chips en sensoren. De techniek ontwikkelt zich in rap tempo. Dat is mooi, maar het gaat om de daadwerkelijke toepassing, meent Jochems. “Je weet pas wat werkt als je het gebruikt. Daarom moeten we niet te veel aan gebouwen vastmaken. Het is geen lease-auto die je iedere vier jaar inruilt voor een geavanceerder model.” Tiedema: “Dat klopt. Techniek moet je kunnen upgraden, modulair en flexibel, zodat een gebouw zich blijft ontwikkelen.” Ten Dam: “Er is veel data beschikbaar. De vraag is welke informatie ons vooruit gaat helpen.”

Interessant verdienmodel

Slimme gebouwen maken het mogelijk om te segregeren, vult Tiedema aan. Op afdelingsniveau bijvoorbeeld. “Je wilt mensen niet op een negatieve manier stimuleren, maar we merken dat mensen het van nature beter willen doen dan het gemiddelde. Alleen die mindset zorgt er al voor dat mensen gaan minderen met bijvoorbeeld energieverbruik.” Het meetbaar maken zorgt ervoor dat eindgebruikers zich bewust zijn van hun gedrag. Bovendien ontstaat er volgens Ten Dam een interessant verdienmodel wanneer data wordt ingezet om services aan eindgebruikers te leveren. “Op Schiphol koppelen we bijvoorbeeld real time vluchtgegevens aan het klimaatsysteem. Dit soort gegevens zijn ook razend interessant voor de retail en horeca.” Oosting: “Het zijn inderdaad steeds meer de servicecomponenten waarop verdiend kan worden.”

De realiteit is wel dat het overgrote deel van de markt nog te veel naar de stenen kijkt, stelt Ten Dam. Ze houdt het op een top twintig procent die echt stappen vooruit zet. Een herkenbaar beeld voor Tiedema. OVG besloot om niet langer aan de gebruikers te vragen wat zij willen, maar vanuit een eigen visie kantoren te ontwikkelen. Hoewel dit wellicht wat tegenstrijdig klinkt, kan zo de grootste stap in duurzaamheid gemaakt worden. Klanten neigen toch te veel naar wat ze al kennen. OVG ziet zich in haar aanpak gesteund doordat The Edge in korte tijd vrijwel volledig is verhuurd. Op de vraag in hoeverre certificering een rol speelt, wordt gemengd gereageerd. Certificering biedt houvast en is een hulpmiddel om de markt tot volwassenheid te brengen, maar de druk van een certificaat kan ook oneigenlijk werken. Positief is in ieder geval dat bij certificeringen zoals de WELL standaard en ook binnen BREEAM steeds meer aandacht uitgaat naar de mens en het gebruik en minder naar het gebouw. Oosting is erg te spreken over de WELL-certificering, waar de basis begint bij de mens. “Certificering kan werken als aanjager om bewustzijn voor het onderwerp te creëren.”  Ten Dam ziet daarnaast kansen in het benchmark-effect van de ‘In-Use’ certificering van BREEAM, die de prestaties van bestaande bouw in kaart brengt. “Er is nog veel te
bereiken in de bestaande voorraad.”

Categories
Uncategorized

Dutch Green Building Week

Het thema is dit jaar Groene Uitdaging. “We willen vanzelfsprekendheid creëren met betrekking tot duurzaamheid in de bouw, en meer specifiek in duurzame renovatie. De oplossingen bestaan al. De vraag is: hoe passen we ze toe? Er bestaat nog steeds koudwatervrees en de gedachte dat duurzaam vooral staat voor duur. DGBC wil tonen dat duurzaamheid in de bouw essentieel is. In totaal zijn er meer dan 60 activiteiten”, vertelt Daan van Vliet, DGBC-voorzitter. Maxime Verhagen, voorzitter van Bouwend Nederland, is een van de sprekers.

Drie interessante sprekers vanuit Daan van Vliet (voorzitter DGBC):

  • Alberto Cayuela. Hij is directeur van het Centre for Interactive Research on Sustainability (CIRS) aan The University van British Columbia in Canada. Hij vertelt over de groene stappen die in dit land al zijn gezet in de bouw.
  • Jan Jonker. Hij is hoogleraar Duurzaam Ondernemen aan de Radboud Universiteit Nijmegen en toont met verschillende businessmodellen aan hoe duurzame bouw er in de praktijk uit kan zien.
  • Zaanstads wethouder duurzaamheid Dick Emmer. Hij geeft in zijn lezing nadere uitleg over hoe de gemeente verduurzaming doorvoert in haar vastgoedportefeuille.

Meer weten over de Dutch Green Building Week? Kijk op www.dgbw.nl

Categories
Uncategorized

‘Drievriendenhof is hét winkelcentrum in hartje Dordrecht’

“Drievriendenhof is het winkelcentrum in hartje Dordrecht. Het bestaat een kleine dertig jaar, en is in die tijd al meerdere malen succesvol herontwikkeld. Sinds de crisis van 2008 was er veel tegenspoed; een aantal retailers viel om. Toen ook een grote winkel achterin het winkelcentrum, een echte trekker voor de rest, het niet redde, was dat de druppel. We moesten op zoek naar een nieuwe grote formule. Na veel overleg en samenwerking met andere winkeliers, ondernemers, bewoners, de gemeente, is het uiteindelijk gelukt om een nieuwe Primarkwinkel in Dordrecht op deze plek te realiseren. De winkel is afgelopen december opengegaan en ik kan wel zeggen dat daarmee sprake is van een nieuwe, succesvolle herontwikkeling voor Drievriendenhof.

Intensieve samenwerking

Dat had overigens best wat voeten in de aarde. De winkel moest grondig verbouwd worden – het is in omvang bijna verdubbeld – en bij omringende winkeliers en pandeigenaren was best wat weerstand, bijvoorbeeld vanwege het dichten van een dwarsverbinding. Na inspraak met betrokkenen zijn de plannen daarop aangepast. Door intensieve samenwerking met de gemeente hebben we ervoor kunnen zorgen dat ook die omwonenden nu met tevredenheid terugkijken op de veranderingen.
Die actieve rol van een gemeentebestuur is best bijzonder. Het belang van het winkelhart begint ook in andere gemeenten nu door te dringen, maar in Dordrecht is dat al een paar jaar aan de gang. Met de oude, historische binnenstad en de mooie ligging aan het water heeft het ook veel potentie mensen uit de regio te trekken. Tegelijkertijd is dat een uitdaging, met Rotterdam als grote broer in de buurt. Maar de prioriteit die het gemeentebestuur geeft aan de binnenstad, is ook voor het slagen van een project als de herontwikkeling van Drievriendenhof heel belangrijk.”

Categories
Uncategorized

Drie experts aan het woord over Facility Management

Bij PPS-projecten zijn meerdere belangrijke facetten vertegenwoordigd in een consortium middels het DBFMO. Maar houden deze partijen ook rekening met de wensen en behoeften van de eindgebruiker van het PPS-project? De rol van Facility Management is hierin belangrijk. Hieronder de visie van drie experts.


Ian van der Pool

is voorzitter van de beroepsvereniging Facility Management Nederland (FMN).

FACILITY MANAGER VOERT REGIE OVER BELEVING VAN WERKOMGEVING’

Te vaak wordt nog de indruk gewekt dat Facility Management alleen maar gaat over kostenreductie. Wat mij betreft gaat het vooral over het creëren van waarde. Dat doet de Facility Manager door het organiseren van al die voorwaarden die nodig zijn om de beleving voor de verschillende gebruikers zo prettig mogelijk te maken. Natuurlijk blijft de focus liggen op flexibiliteit en continuïteit, het leveren van de juiste dingen, tegen de juiste prijs en op de juiste tijd. Door een onderscheidende en gastvrije omgeving te ontwerpen, passend bij de core business, werken opdrachtgever en Facility Manager samen aan het succes van de organisatie.

Imago
Veel organisaties vinden hun imago belangrijk. Dat imago moet kloppen met de uitstraling en beleving van het pand waarin zij gehuisvest zijn. Anders doet de huisvesting afbreuk aan het gewenste imago. Als je een kantoorpand binnenloopt, is het vooral de invloed van Facility Management die je ziet. Parkeren, schoonmaak, receptie, groenvoorziening, interieur, catering, beveiliging: alles moet op elkaar zijn afgestemd om een consistente en authentieke beleving te realiseren. Een werkomgeving met een prettige uitstraling is overwegend de verdienste van de Facility Manager en zijn team.

Organisatiesensitiviteit
Het wordt steeds belangrijker dat de Facility Manager over een sterke mate van empathie en organisatiesensitiviteit beschikt. Het aantal belevingsconcepten binnen Facility Management zal toenemen en door steeds meer Facility Managers worden omarmd. Bijvoorbeeld in ziekenhuizen. De beleving voor patiënt, bezoeker en medewerker creëer je door de inrichting en aanbod van services. Zowel de facilitaire medewerker als de toeleveranciers spelen daar een rol in. Zij moeten die houding aannemen die perfect past bij het gewenste gevoel dat je wilt creëren. De Facility Manager moet dus goed voor ogen hebben wie tot de doelgroep behoren, wat hun behoeften zijn en welke beleving daarbij hoort. De rol van Facility Manager gaat steeds meer aspecten vertonen van die van een ondernemer. Net als in de hospitality branche moet de Facility Manager in staat zijn een omgeving te creëren waar mensen graag komen om samen te werken. Andere ontwikkelingen waarbij de Facility Manager het verschil gaat maken, is de vraag naar duurzaamheid en Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen. Ook daarbij creëert de Facility Manager een win-win situatie. Met het reduceren van de energiekosten en het verkleinen van de ecologische voetafdruk verbetert het imago.’



Susanne Wagemans

is Manager Facility Services bij FMO

‘ONZE SFEER SLUIT AAN BIJ WAAR WE VOOR STAAN’

De Nederlandse Financierings- Maatschappij voor Ontwikkelingslanden N.V. (FMO) is een sociale onderneming. We zijn met mensen begaan en dat willen we uitstralen in onze huisvesting. We stellen bovendien duurzaamheid centraal. Onze investeringen in ontwikkelingslanden moeten niet alleen financieel levensvatbaar zijn, maar ook goed zijn voor mens en milieu. Om daarin het goede voorbeeld te geven, proberen we ook onze eigen voetafdruk zoveel mogelijk te beperken. Dus maken we onder andere gebruik van groene stroom, hebben we natuurlijke ventilatie, een energiezuinig klimaatbeheerssysteem, sensorkranen in de toiletten en sensorverlichting op de werkplek. Ook faciliteren wij acht elektrische oplaadpunten in onze garage en een elektrische poolauto voor algemeen gebruik.

Plantenplan
Elke werkplek is voorzien van planten, er is zelfs een plantenplan. Wij vinden het belangrijk dat er veel groen in het pand aanwezig is. We vinden het niet alleen gezond om planten in de werkomgeving te hebben, het zorgt immers voor meer zuurstof op de werkplekken, maar het creëert ook sfeer. Werknemers voelen zich meer op hun gemak met planten om zich heen. En dat merken we: onlangs bij een interne verhuizing waren de medewerkers begaan met het lot van ‘hun’ plant. De groenvoorziening is volledig uitbesteed. De leverancier neemt ons alle zorg uit handen. Werknemers hoeven alleen maar te genieten van de aanwezige planten. Onlangs hebben wij een volledig vergadercentrum, waar ook veel externen gebruik van maken, ingericht. In overleg met de groenleverancier is toen gekozen voor bijzondere beplanting vanuit de wens om de vergaderzalen een warme mooie uitstraling te geven. Dit is zeker gelukt!

Vroegtijdig anticiperen
De aanwezigheid van groen en het verduurzamen van werkplekken vraagt om constant investeren, maar het is zeker geen weggegooid geld. Investeren in duurzaamheid betaalt zich namelijk altijd weer terug. Niet meteen, maar wel binnen een aantal jaren. Het gebouw waarin FMO inmiddels tien jaar is gehuisvest, is een A-label gebouw. Toen we het pand betrokken was het een van de duurzaamste kantoorpanden van het moment, nu niet meer. Ons huisvestingscontract loopt tot 2020, maar we zijn nu al bezig om te onderzoeken of het verstandig is om het contract te verlengen of dat het beter is om te verhuizen naar een groter en duurzamer gebouw. Als Facility Manager probeer je namelijk altijd te voorkomen dat wensen en behoeften ontstaan. Daar tracht je vroegtijdig op te anticiperen.’



Hans Bloemen

is Managing Partner bij Ucility BV

‘COMMUNICEREN EN METEN WORDT STEEDS BELANGRIJKER’

De laatste vijftien jaar zijn er grote slagen gemaakt op het gebied van uitbestedingen. De tendens daarbij is integraal uitbesteden, of het nu gaat om DBFMO binnen de overheid of de invoer van facilitaire regiemodellen elders. Een trend waarbij de focus meer ligt op het resultaat van de (integrale) aanbieder. Dat betekent dat de definitie van de vraag, de ‘wat’, steeds belangrijker wordt, het ‘hoe’ is immers een actie van de aanbieder. Je wilt een levering op een bepaalde tijd en plaats, in een bepaalde vorm. Dat houdt in dat de resultaatbeschrijving nauwkeuriger moet en dat vergt een nieuwe manier van kijken, van de Facility Manager, maar zeker ook van leveranciers. Die moeten zich nog verder verdiepen in de cultuur van de opdrachtgever.

Veranderende behoeften
Ook in de ontwerpfase van het gebouw, waarbij de toekomstige gebruiker bekend is zoals bij DBFMO, wordt bij contractvorming meer rekening gehouden met onderhoud en facilitaire contracten die pas in een veel later stadium resultaat opleveren. Door vanaf de start na te denken over de interne logistiek en materiaalkeuze, kan een optimale infrastructuur worden neergelegd. Hierdoor kan op een veranderende vraag van de eindgebruiker beter worden ingespeeld. Zo vraagt Het Nieuwe Werken minder en ander m2 gebruik. Dat betekent een andere intensiteit in gebruik van ICT, infra- en gebouwinstallaties, naast de veranderende inzet van services, zoals schoonmaak, beveiliging en catering.

Sturing aan het proces
Informatiemanagement systemen geven sturing aan het proces, geven inzicht in budgetten, zijn operationeel/sturend en bieden het overzicht van de resultaten. FMIS-systemen zijn onmisbaar bij het aansturen op resultaat. Ze zijn ondersteunend voor het beleid, het contracteren en de operationele aansturing, resultaten en facturatie. Daar hoort een kanttekening bij: kennis van de organisatie van de opdrachtgever en goede resultaatbeschrijvingen mag daarbij niet ontbreken. Informatie heeft een essentiële rol binnen de plan, do, check en actcirkel. We zien daarmee ook het belang van eenduidig data gebruik door opdrachtgever én leverancier. Dat lijkt een open deur, maar in de praktijk wordt niet zelden apart gemeten met alle gevolgen van dien. Je moet er van op aan kunnen dat partners elkaar vroegtijdig informeren bij onvoorziene veranderingen en gezamenlijk kijken hoe daarop geanticipeerd moet worden. Het vraagt om inzicht in elkaars werkprocessen. Communicatie en meten wordt alleen maar belangrijker, juist voor Facility Management dat een sleutelrol bekleedt tussen eindgebruiker en leveranciers en tussen de verschillende partners.

NIENKE HOEK
redactie@mediaplanet.com

Categories
Uncategorized

Dordrecht een vitale stad met een rijk verleden

Zo’n twintig jaar geleden is het stadsbestuur gestart met een investeringsprogramma voor de binnenstad. De gemeente en private partijen hebben enkele honderden miljoenen geïnvesteerd in onder andere culturele voorzieningen, openbare ruimte en vernieuwing van gebouwen. “De stad heeft een grote transformatie ondergaan”, zegt Sleeking. “Vroeger was er in Dordrecht nauwelijks een terras, nu zijn die er op veel plaatsen. Door alle veranderingen is de waardering voor Dordrecht, als stad om te wonen of te bezoeken, sterk gestegen. Met name de historische binnenstad, met ook mooie havens, is een grote trekpleister.”

Winkeliers ondersteunen

Ook Dordrecht is geraakt door de crisis van de afgelopen jaren, vertelt Mos. “Juist nu is het denk ik de juiste strategie om te investeren in de binnenstad. We trekken steeds meer toeristen en zijn al tien jaar bezig om kleine zelfstandige ondernemers te ondersteunen. Bijvoorbeeld met ruimere mogelijkheden binnen bestemmingsplannen, dereguleren of minder strenge regels voor vergunningen. De historische binnenstad is bovendien een mooi podium voor evenementen en activiteiten. We werken daarin samen met lokale ondernemers en vastgoedeigenaren die voor een deel ook collectief verenigd zijn.”

Er is bovendien overleg en samenwerking met steden in de regio. Sleeking noemt als voorbeeld het kunstproject River Art. Langs de oevers van De Noord, die Dordrecht verbindt met Rotterdam. Hier worden kunstwerken gerealiseerd in een samenwerking tussen de twee steden en het aanwezige bedrijfsleven. “Het project benadrukt de nauwe economische verwevenheid van de regio en is tevens gekoppeld aan het bidbook voor de World Expo 2025.”

Leegstand

Ondanks alle positieve ontwikkelingen zijn er ook punten van zorg, zoals het omvallen van grote winkelketens. “De sluiting van V&D zorgt voor achtduizend extra vierkante meters leegstand”, vertelt Sleeking. “Samen met vastgoedeigenaren in dit gebied zoeken we naar nieuwe mogelijkheden om de leegstand aan te pakken. De vraag is wel wat de rol van de overheid daarbij is. We gaan dat met een expertteam van investeerders en ondernemers nadrukkelijk bespreken, aangevuld met wetenschappelijk deskundigen. We willen de problemen en de verwachtingen analyseren en met een gezamenlijke visie komen hoe we de binnenstad ook op de langere termijn vitaal kunnen houden.”

Mos noemt een lastig punt hierbij: veel Dordtse winkelpanden zijn enkele tientallen vierkante meters groot, maar bij leegstand is dat voor een nieuwe gegadigde vaak te klein. “Die wil al snel bijvoorbeeld honderd of tweehonderd vierkante meter. We willen daarom met vastgoedeigenaren gaan bespreken hoe we die mooie monumentale panden weer een nieuwe invulling kunnen geven. Het Energiehuis en Filmhuis The Movies zijn daar mooie voorbeelden van. We nemen ook deel aan overleg met enkele andere monumentensteden en zijn betrokken bij enkele landelijke pilotprojecten. En Dordrecht neemt in juni deel aan de beurs Provada in de RAI. Men kan ons daar ontmoeten en zien welke projecten voor investeerders/ beleggers interessant zijn.”

Daarnaast zijn er veel leegstaande kantoorpanden. Rond de binnenstad ligt een schil van kantoren, inclusief het stadskantoor van de gemeente. “In deze omgeving is er zo’n veertig procent leegstand. Vorig jaar hebben we daarvoor een overeenkomst gesloten met betrokken partijen, zoals het Rijksvastgoedbedrijf, investeerders en projectontwikkelaars. We willen ook op het gebied van kantoren een transformatie bewerkstelligen. Dit gebied heeft veel pluspunten, zoals goede bereikbaarheid, de nabijheid van het station en de voorzieningen van de binnenstad. Die punten kunnen we beter gaan benutten. Dat is voor sommige kantoorgebouwen al gelukt. Het voormalig postkantoor, Post120 en het Tomadohuis zijn landelijk aansprekende voorbeelden van succesvolle transformatie. Ook ons eigen kantoor zijn we aan het analyseren. Het gebouw is verouderd en te ruim. We staan voor de keuze om hier te investeren of te verhuizen. We willen in ieder geval, vanwege de goede bereikbaarheid, aan de rand van de binnenstad gevestigd blijven.”

Evenwicht en kwaliteit

Ook de kwaliteit van woonwijken is in veel steden een actueel aandachtspunt. In Dordrecht zijn in het verleden veel woningen gebouwd voor de ‘onderkant’ van de markt, maar in overleg met woningcorporaties wordt via sloop van verouderde portiekflats meer evenwicht en kwaliteit gebracht in het woningaanbod. “Dat geldt ook voor bedrijventerreinen”, voegt Mos daar aan toe. “We hebben zowel oude terreinen als terreinen die zich nog moeten ontwikkelen. Ook voor bedrijven willen we een gevarieerd vestigingsaanbod. Pluspunt daarbij is dat Dordrecht beschikt over een zeehaven.”

Vanwege de crisis hebben gemeenten pijnlijke keuzes moeten maken en soms verlies moeten accepteren. Dordrecht heeft nog wel voldoende vermogen om de stad in ontwikkeling te houden, laat Mos weten. “We kijken wel kritischer waar we in willen investeren. Bijvoorbeeld het woningproject Stadswerven, dat landelijk aandacht krijgt. En met enkele steden en waterschappen werken we aan waterveiligheid, omdat Dordrecht omgeven is door water. We gaan alleen door met plannen die realistisch zijn en iets bijdragen aan de stad. We scheiden het kaf van het koren. Misschien is dat wel de winst van de crisis.”

Categories
Uncategorized

Diversiteit in binnenstad door bottom-up aanpak

Het project ‘Zitterd Revisited’ is opgezet om de regionale ontmoetingsfunctie van Sittard te bevorderen. Het doel is een optimale mix van wonen, werken, winkelen en studeren én concentratie van winkels en bestrijding van leegstand. Er is al een educatief cultureel centrum gerealiseerd.

Een belangrijk project is de transformatie van leegstaande panden, zoals in de Steenstraat-west en de Stationsstraat, tussen het station en het stadshart. “In het masterplan wordt geschetst dat er in de toekomst minder winkels nodig zijn en dat er toe moet worden gewerkt naar een compacter winkelgebied”, schetst Karel Trommelen van Droogh Trommelen en Partners.

“Wij hebben in opdracht van de gemeente met ondernemers en eigenaren gekeken naar de mogelijkheden voor ander gebruik van bestaande winkelpanden. Niet door een plan te presenteren dat we zelf hebben bedacht, maar door ideeën aan te reiken voor een transformatie naar een multifunctionele straat.”

Diversiteit in stadshart

In individuele gesprekken is met de pandeigenaren en ondernemers gekeken naar de mogelijkheden voor bijvoorbeeld wonen, ambachtelijke bedrijvigheid en leer-werkplaatsen. Vervolgens is een integrale visie op de winkelstraat ontwikkeld, waarbij regelmatig is teruggekoppeld naar de betrokkenen. “Bij de presentatie, eind januari, bleek er draagvlaak voor meer diversiteit”, vertelt Trommelen. “Dat komt vooral omdat we het niet hebben opgelegd, maar bottum-up te werk zijn gegaan.”

Wat enorm geholpen heeft, is dat de eigenaren en ondernemers worden gefaciliteerd. Zo is er een stimuleringsregeling voor het stadscentrum waarmee de gemeente eigenaren van commercieel vastgoed in wil stimuleren om gerichte en duurzame investeringen te plegen in hun panden en  de gevels ervan te verfraaien.

Rode draad in deze regeling vormt het subsidiëren van de onrendabele top. Op bepaalde plekken kunnen horeca gelegenheden komen met een terras. “We zien dat mensen actief de kansen die worden geboden gaan benutten”, aldus Trommelen. “Waar eerst een sfeer was van emoties en gelatenheid, zien ondernemers nu heel duidelijk de voordelen van meer diversiteit.”

Leer-werkbedrijven

Zuyd Hogeschool heeft in twee voormalige winkelpanden aan de Steenstraat diverse leer-werkbedrijven kunnen realiseren. “Op zoek naar kansen voor praktijkgericht onderwijs raakten wij via-via in gesprek met de gemeente Sittard”, vertelt profielcoördinator Small Business Roy Broersma over de samenwerking. “Al gauw kwamen de plannen voor het herbestemmen van leegstaande monumentale panden ter sprake. Voor ons lag hier een unieke kans om eigen bedrijfsruimten te creëren voor onze studenten Commercieel Management.”

Lokale ondernemers kunnen met vragen terecht bij het Zuyd Innovation and Entrepreneurship Lab en in het Legal Lab adviseren studenten van de Hogere Juridische Opleiding over juridische vraagstukken. “Binnenkort gaan nog twee andere labs open”, zegt Broersma.

“Maar nu al merken we dat de leer-werkbedrijven een impuls geven aan de lokale en regionale economie. We zitten als serieuze gesprekspartner aan tafel met ondernemers en innovatieve ideeën van onze studenten worden opgepakt. We doen ook ‘future checks’, waarbij we ondernemers vragen: waar wil je staan met je bedrijf over twee jaar?”

Ook het reguliere onderwijs profiteert van ‘Zitterd Revisited’. Waar Zuyd Hogeschool voorheen op drie locaties binnen de agglomeratie Sittard actief was, zijn de opleidingen nu geconcentreerd in cultureel en educatief centrum Ligne in de binnenstad.

“We zien dat studenten langer in de stad blijven, omdat er in het centrum meer bedrijvigheid is”, concludeert Broersma. “Met niet alleen winkels en bedrijven, maar ook cultuur en recreatie. Zo is Sittard meer een ontmoetingsplaats voor studenten en is onderwijs een zichtbaar onderdeel van de stad.”

Categories
Uncategorized

Herbestemming voor iconisch gebouw

Het pand doet nu dienst als onderkomen voor de gemeentelijke bibliotheek. Omdat de bibliotheek binnenkort verhuist, is de gemeente op zoek naar een nieuwe eigenaar én een nieuwe bestemming voor het monumentale pand. Donderdag 31 maart geeft de raad van Uithoorn nog hun mening. Drie experts vertellen waarom dit bijzondere gebouw een nieuwe toekomst verdient .

Ria Zijlstra – wethouder gemeente Uithoorn:

“Iedere inwoner van Uithoorn, van jong tot oud, kent De Hoeksteen. Het is niet zomaar een kerk. Het is een ontmoetingsplek. Zo heeft Rietveld het gebouw ook ontworpen. Rietveld was een atheïst. Zijn streven was niet zozeer een huis van God ontwerpen maar een plek realiseren waar alle mensen zich thuis zouden voelen. Het resultaat was een multifunctioneel gebouw. Er was natuurlijk een kerkruimte maar er waren ook tal van ruimtes die voor andere activiteiten konden worden ingezet.”

Centrum van de gemeenschap

“Vanaf het moment dat De Hoeksteen in gebruik werd genomen, bood het plaats aan onder meer een crèche, een ontmoetingsplaats voor Spaanse emigranten, een theaterzaal en een vestiging van de (rabo)bank. Het was letterlijk het centrum van de gemeenschap. En dat is het, nu er een bibliotheek is gevestigd, nog steeds. De Hoeksteen betekent dan ook veel voor de inwoners van Uithoorn. Daarbij komt dat menigeen er reuze trots op is dat juist hier een monumentaal pand van Gerrit Rietveld staat. Die verbondenheid met De Hoeksteen is iets waaraan de gemeente veel waarde hecht. Dat komt ook tot uiting in ons besluit om het pand weliswaar te verkopen maar aan die verkoop een aantal voorwaarden te verbinden.”

Band met Rietveld benadrukken

“Een van de voorwaarden is dat de buitenzijde intact blijft. De Hoeksteen is en blijft een echte Rietveld. Die band met Rietveld zien wij ook graag terug in het interieur. En een andere voorwaarde is dat wij eraan hechten dat het gebouw toegankelijk blijft voor de Uithoornaars en liefst ook een impuls geeft aan de economie en het toerisme. Dat zou kunnen door er bijvoorbeeld een museum met daarbij een horecavoorziening te vestigen. Wij begrijpen dat de herbestemming naast het aankoopbedrag een fikse investering vergt. Daarom willen wij ruimte scheppen voor creatieve oplossingen die het plan financieel levensvatbaar maken zodat het gebouw met de karakteristieken van Rietveld behouden blijft. Wij staan open voor innovatieve ideeën en ik nodig iedereen uit mee te doen aan ons verkooptraject. Informatie over dit traject is te vinden op www.uithoorn.nl/hoeksteen.”

Ellen Klaus – Cultuurcompagnie Noord-Holland:

“Provincie Noord-Holland heeft een initiatief ontwikkeld om leegstand en verval van gebouwd monumentaal erfgoed tegen te gaan. In het kader van project Herbestemming-NH wordt ieder jaar voor drie bijzondere gebouwen een nieuwe bestemming gezocht. De Hoeksteen is één van die gebouwen.”

Cultuurhistorische waarde

“Rietveld heeft een enorm oeuvre maar hij heeft in zijn hele leven maar één kerk ontworpen. Het afgelopen jaar en ook dit jaar komt er bijna wekelijks een kerk leeg te staan. En het is niet mogelijk om voor iedere kerk een nieuwe bestemming te vinden. Dat is ook niet zo erg want niet iedere kerk is even belangwekkend als Nederlands erfgoed. Maar juist De Hoeksteen is wel van grote cultuurhistorische waarde. Het is heel belangrijk dat naast de meubels en de gebouwen van Rietveld ook deze kerk behouden blijft. Het gebouw is met de kubistische vorm, de grote grijze betonnen blokken en de gevelhoge ramen, typerend voor zijn stijl.”

Grote meester van de 20e eeuw

“Wij hebben het vaak over de Nederlandse meesters van de Gouden Eeuw en dan doelen wij op wereldberoemde schilders als Rembrandt. Wat Rembrandt was voor de Nederlandse schilderkunst is Rietveld voor de Nederlandse meubelkunst en architectuur. Hij is een van onze grote meesters van de 20ste eeuw en was in grote mate verantwoordelijk voor de stroming De Stijl en daarmee de voorloper  van Dutch Design. De Hoeksteen biedt de mogelijkheid om meubels van Rietveld tentoon te stellen in een iconisch gebouw van Rietveld. Dat is overigens meer dan alleen een idee. Rietveld heeft onder meer de inrichting van de perskamer van het nieuwe gebouw van de Unesco in Parijs ontworpen. Die meubels zijn nu opgeslagen maar zouden hier perfect passen. De gemeente is ook benaderd door de Stichting Erven Rietveld met de vraag of De Hoeksteen een museum kan worden voor de Rietveld collecties die nu in verschillende museumdepots onzichtbaar zijn voor publiek. De Hoeksteen kan een echt Dutch Design museum worden dat interessant is voor bezoekers uit binnen- en buitenland.” 

Kim Beckers – Projectmanagement en -adviesbureau Appm:

“Appm werkt letterlijk aan een mooier Nederland door samen met onder meer overheden te zoeken naar herbestemmingen voor bijzondere panden. Gemeente Uithoorn heeft met dit gebouw veel ambities, maar er was geen budget beschikbaar. Toen wij dat hoorden, hebben wij aangeboden mee te helpen bij het zoeken naar een oplossing. Wij geloven zozeer in het welslagen van dit project dat we bereid zijn hier resultaat gebonden te adviseren. Dit soort uniek erfgoed verdient een tweede leven.”

Verkoop onder voorwaarden

“Wij helpen onder meer door op eigen risico in samenwerking met de gemeente de kaders voor de verkoop te bedenken en de markt uit te dagen om met goede en onconventionele plannen te komen voor dit gebouw. Het gaat de gemeente niet om het behalen van een zo hoog mogelijke verkoopprijs. Het gaat om de plannen die de nieuwe eigenaar met het pand heeft. De belangrijkste voorwaarde is dat aandacht wordt besteed aan het gedachtegoed van Rietveld. Ook van belang is dat de plannen een economische impuls opleveren voor Uithoorn. De Hoeksteen moet verder blijven wat het nu is, een hele belangrijke plek voor de inwoners van Uithoorn. Tenslotte kan een kandidaat koper ook scoren op het gebied van duurzaamheid en het beperken van overlast. In Amsterdam is een dergelijke herontwikkeling eenvoudiger, maar ook in Uithoorn kan een uniek gebouw een unieke functie herbergen en een tweede leven krijgen. Wij kennen de valkuilen van herontwikkeling en helpen de gemeente hier tussen de klippen door.

Gedachtegoed Rietveld centraal

“Stel dat iemand op de begane grond een caféachtige ruimte creëert met Rietveld meubilair en ook nog een interactieve tentoonstelling realiseert over Rietveld en zijn gedachtegoed. En dat diegene, om het hele project te financieren, op de bovenverdieping prachtige appartementen bouwt. Dan heeft die partij absoluut de voorkeur boven een partij die een veel hoger bod doet maar dit bijzondere pand wil veranderen in alleen maar kantoor- en woonruimte. Centraal staat het behouden van de cultuurhistorische waarde en de toegankelijkheid van dit pand voor de bezoekers.”

Categories
Uncategorized

Design & Build ontzorgt opdrachtgevers

“Met Design & Build ligt de focus weer op een project en bij de wensen van de opdrachtgever en niet langer op het proces. Omdat het bouwteam vanaf het begin al bekend is verloopt het proces immers veel soepeler.” Niet voor niets vindt het gesprek plaats in het fonkelnieuwe kantoor van Fluor in Hoofddorp: het gebouw is een geslaagd voorbeeld van Design & Build waarbij Fluor aannemer Dura Vermeer, architect Paul de Ruiter en adviesbureau DWA min of meer de vrije hand gaf. Het was duidelijk wat de bedoeling en het budget was, en de architect, bouwer, installateur en constructeur kregen het vertrouwen om te doen waar zij het beste in zijn: een goed gebouw ontwerpen en bouwen. Bijzonder aan dit specifieke project is dat het oude gebouw in de afspraken is meegenomen: Dura Vermeer gaat dat herontwikkelen.

Creatief proces

Job Dura, bestuursvoorzitter van bouwbedrijf Dura Vermeer blijkt een groot voorstander van Design & Build: “Bij ons is de helft van de projecten die wij doen in de utiliteitsbouw een Design & Build-contract. Door op deze manier te werken lok je creativiteit uit bij opdrachtnemers en kun je kiezen uit het beste product. Er zijn minder faalkosten, omdat alles bij één partij ligt. Hierdoor kunnen klanten een steeds beter product aangeboden krijgen tegen een steeds lagere prijs.” Marije Hulshof van Royal
HaskoningDHV: “Als opdrachtgever moet je goed weten wat je wilt. Wij ondersteunen onze klanten, overheden én private partijen, vaak bij het goed formuleren van hun vraag, zodat zij wel de antwoorden uit de markt krijgen die zij willen. Ik zie dat veel opdrachtgevers én opdrachtnemers nog erg moeten wennen aan deze manier van werken. Vaak zien we toch dat, wanneer de bouw start, een opdrachtgever weer in de details duikt.” Rinald van der Wal van BBN Adviseurs: “Dat is ook de belangrijkste gewetensvraag die ik aan opdrachtgevers stel: “Denk je dat je tijdens het hele proces rolvast kunt zijn en blijven?” Wanneer het programma van eisen nog bijgesteld kan worden levert dat een verstoring van het proces op. Dan gaan veel voordelen van Design & Build verloren.” Jaap Dijkgraaf, directeur van adviesbureau DWA: “Je krijgt een veel grotere scheiding tussen de ‘wat-‘ en de ‘hoe-vraag’. Je moet zelf heel duidelijk kunnen omschrijven wat je wilt, maar de hoe, dat moet men durven overlaten aan professionele marktpartijen. Het voordeel daarvan is dat er bijvoorbeeld op het gebied van energieprestaties hele zware eisen gesteld kunnen worden. Dit vanwege het feit dat er een sterk team tegenover staat dat zowel de engineering doet als het gebouw daadwerkelijk maakt.

Dubbele keuze

De grote ‘drama’s’ in het verleden hebben zich voorgedaan omdat een opdrachtgever zich gaat bemoeien met details waar de opdrachtnemer veel meer verstand van heeft.” “Echter”, stelt van der Wal: “Andersom gebeurt ook. Ik ken een opdrachtgever die heel bewust koos voor Design & Build. Een eerder project liep na invloed van gebruikers, politiek en voortschrijdend inzicht behoorlijk uit de hand. Die opdrachtgever vond het wel prettig om zichzelf te dwingen om helder te zijn in het voortraject en daarna te weten dat de contractpartner vervolgens zou bouwen wat was afgesproken. Die zei heel duidelijk: we moeten ons er niet mee bemoeien, want dan gaat het mis. Dat weten we.” Job Dura knikt instemmend: “Design & Build vereist een professionele opdrachtgever óf een goede adviseur. Je moet namelijk een dubbele keuze maken: Een ontwerpkeuze én een proces-integraal, want je moet ook de realisatie, uitvoering, budgetten, creativiteit, noem maar op, laten meewegen. Tegelijkertijd is er veel meer zekerheid: je blijft binnen budget, binnen de tijd, het voldoet aan je programma van eisen en er is keuze uit verschillende ontwerpen. Dat zijn grote voordelen voor een opdrachtgever.” “Het grote voordeel van Design & Build”, zo gaat Dijkgraaf verder, “is dat de leercurve van de deelnemende partijen sneller stijgt. Als team ligt de focus meer op het project en minder op het proces. Je leert meer van elkaar en je wordt als team steeds slimmer, waardoor gebouwen steeds beter worden en de kosten bovendien naar beneden gaan.”

Verschillende aspecten

Paul de Ruiter van het gelijknamige architectenbureau zegt daarentegen: “Naast alle positieve aspecten zit er ook een klein nadeel aan. De consortia die meedingen naar een opdracht moeten risicodragend investeren. Zonder dat daar voldoende voor wordt gecompenseerd als de opdracht niet wordt toegewezen.” Dura beaamt dat: “Voor marktpartijen betekent Design & Build meer kosten. Er wordt opdrachtgevers dan ook gevraagd: beslis snel, laat niet zes partijen het volledige ontwerp uitwerken maar trechter al in een vroeg stadium.” Van der Wal: “Omdat wij zowel opdrachtgevers als opdrachtnemers adviseren, zien wij beide kanten. Met name aan de opdrachtgeverskant zijn we nu dan ook bezig om te bekijken hoe we de transactiekosten kunnen verlagen. Er ligt een maatschappelijke verantwoordelijkheid bij de aanbesteders om de vraagstelling zo te formuleren dat het acceptabel blijft voor de markt om daar op in te schrijven. Zeker ook, nu het gelukkig economisch wat beter gaat, omdat aannemers niet meer alles hoeven aan te nemen.”

Samenwerking

Marije Hulshof ziet een stijgende vraag naar Design & Build bij opdrachtgevers. “We merken dat corporaties erg geïnteresseerd zijn. Dat zijn ook projecten die zich uitermate goed lenen voor deze werkwijze. Zeker als daar ook nog het onderdeel onderhoud in de contracten wordt meegenomen. Toch leent niet ieder project zich voor Design & Build. Het aan de voorkant formuleren van een goede contract- en aanbestedingsstrategie loont, letterlijk en figuurlijk. Wij werken met een Contract Navigator waarmee we per keer kunnen kijken welk type contract het best bij een opgave past. Wij komen nog veel opdrachtgevers tegen die zich te laat in het proces bezinnen op de contract- en aanbestedingsstrategie, met alle kosten of gemiste kansen van dien.” De Ruiter: “Wat ik heel goed vind werken is een dialoogronde. Daar hebben wij positieve ervaring mee bij PPS-projecten (publiek private samenwerking) en hebben wij ook toegepast bij het ontwerp en de bouw van het Fluor-gebouw. In zo een dialoogronde bespreek je gedurende het proces het schetsontwerp. Veel bestuurders vinden het moeilijk om in het voortraject een verbeelding te maken van hoe eisen worden vertaald naar een ruimtelijk ontwerp. Met een dialoog kun je zorgen dat de uitwerking van het programma overeenkomt met de verwachting van de opdrachtgever.” Job Dura: “Overleg blijft essentieel. Wanneer men zich aan al die voorwaarden houdt dan kent Design & Build alleen maar voordelen: een beter gebouw, kortere ontwikkel- en engineeringstijd en dus een kortere realisatietijd, betere afstemming met de gebruiker, betere samenwerking in de bouwketen, minder faalkosten en voor de opdrachtgever is het goedkoper.”

Categories
Uncategorized

Den Haag maakt ruimte voor innovatie

Pieter Tordoir
UvA-hoogleraar
Wouter Jan Verheul
TU Delft-onderzoekerElske van Gent
CEO van de New World Campus
Erik Pasveer
Hoofd Stedenbouw en Planologie bij de gemeente Den Haag
Tobias Verhoeven
Commercieel directeur bij projectontwikkelaar Synchroon

Den Haag staat net zoals veel andere steden voor verschillende uitdagingen. De transitie naar een kenniseconomie bijvoorbeeld. De stad moet een goed vestigingsklimaat bieden en niet alleen aantrekkelijk zijn om in te werken, maar ook om in te wonen en te recreëren.

Een Central Innovation District (CID) kan inspelen op die uitdagingen. Innovation districts ontstaan in steden over de hele wereld en kennen een concentratie van mensen, bedrijven en instellingen die sterk bijdragen aan kennisontwikkeling en vernieuwing.

In Den Haag gaat het om het gebied tussen de stations Den Haag Centraal, Hollands Spoor en Laan van NOI. De propositie die gemeente Den Haag doet voor het CID valt onder het programma Stad in Transitie.

CID voor werkgelegenheid

“Het gebied groeit naar 40.000 studenten, telt diverse grote organisaties, honderden nieuwe bedrijfjes en kent veel relaties met andere innovatiegebieden.

De gemeente onderzoekt nu wat de kansen zijn van een innovatiedistrict en hoe het CID eventueel verder kan worden ontwikkeld. Tot 2040 hoopt de gemeente in ieder geval 18.000 woningen in het CID te realiseren.

Een innovatiedistrict kan veel werkgelegenheid creëren”, zegt Erik Pasveer. Hij is hoofd Stedenbouw en Planologie bij de gemeente Den Haag en leidt het rondetafelgesprek over de mogelijkheden van het CID en Den Haag als innovatiestad. Hiervoor heeft hij Tobias Verhoeven uitgenodigd, commercieel directeur bij projectontwikkelaar Synchroon.

UvA-hoogleraar geografie en planologie Pieter Tordoir is aangeschoven, net als TU Delft-onderzoeker Urban Development Management Wouter Jan Verheul. Elske van Gent, CEO van de New World Campus, completeert het gezelschap.

“Superknoop” Den Haag

Stadsstedenbouwer Erik Pasveer stelt de vraag of het CID als reële optie voor Den Haag moet worden beschouwd. Pieter Tordoir schetst een tweetal ontwikkelingen waarmee de stad volgens hem zijn voordeel kan doen.

“Organisatorisch gaan we van een klassieke structuur met hiërarchische bedrijven die alles intern doen naar meer horizontale netwerkstructuren waarin projectmatig wordt gewerkt.

Bedrijven worden kleiner en fungeren meer als bijenkorven; vol activiteit en met veel in- en uitgaand verkeer. Ruimtelijk gezien komt dat verkeer, ook bij kleine bedrijven, steeds meer van heinde en verre.” 

De ontwikkelingen vereisen dat centrale arena’s, zoals Tordoir ze noemt, zich moeten ontwikkelen op superknopen van verkeer en communicatie in innovatiemilieus. De drie Haagse stationsgebieden zijn zo’n superknoop.

“Uiteindelijk moet de Randstad zo’n tien van dit soort gebieden, in nauwe verbinding met en complementair aan elkaar, tellen. Samen kunnen ze de internationale concurrentie aan en zorgen ze dat Nederland interessant blijft voor internationale kenniswerkers.

Den Haag moet deze ontwikkelingen aangrijpen om maatschappelijk en economisch verder te komen.”

Innovatiestad?

Vooralsnog staat Den Haag niet bekend als kennis- of innovatiestad. Wel als schrijftafel van Nederland, zegt Pasveer en om belangrijke thema’s zoals bestuur, vrede, recht en veiligheid. Toch is de stad aan het veranderen, zegt hij.

Van een bestuursstad pur sang is geen sprake meer. Er is ruimte voor innovatie en volgens hem kan er een innovatiecluster ontstaan om de voor Den Haag zo bekende thema’s heen. Tordoir meent dat Den Haag zich moet richten op innovatie in governance.

Elske van Gent ziet een thema zoals veiligheid, waar Den Haag sterk in is, als uitgelezen kans om in te innoveren. “Internetveiligheid is zeer actueel en noodzakelijk en in Den Haag zijn alle partijen aanwezig om hierop in te zetten. Er is veel vraag naar”, zegt ze.

De New World Campus, waar ze CEO is, bevindt zich middenin het CID. In de broedplaats voor innovatie vinden tachtig bedrijven en organisaties elkaar in het duurzaam innoveren met een financieel, sociaal en ecologisch rendement.

Heeft Van Gent het gevoel in een innovatiedistrict te zitten? “Het gebied is enorm in ontwikkeling, en er is duidelijk behoefte aan dit soort broedplaatsen. Millennials willen niet per se werken voor de grote, traditionele bedrijven maar vaak juist voor kleinere, impactgedreven organisaties. In de laatste maand hebben we vierhonderd vierkante meter kunnen vullen met nieuwe huurders.”

Nieuw verhaal voor Den Haag

Wouter Jan Verheul onderzoekt met TU-collega’s wat een stad nodig heeft om een innovatie-economie te stimuleren. Wat hem betreft moet Den Haag enerzijds een herkenbaar verhaal hebben voor het zich als een innovatiedistrict profileert en anderzijds concrete resultaten tonen.

“Het moet in de fysieke omgeving tastbaar zijn, anders blijft een CID-verhaal in het luchtledige hangen. Laat nieuwe bedrijven zien, toon cross-sectorale innovaties, organiseer innovatiefestivals en leg de focus op broedplaatsen in het gebied.

Nederland telt inmiddels een paar honderd campussen en valleys dus het moet goed duidelijk zijn wat er in Den Haag precies gebeurt aan innovatieontwikkeling. Het betekent ook dat je ondernemers vraagt welke plekken zij nodig hebben om tot innovatie te komen en hoe je met de openbare ruimte cross-sectorale ontmoetingen stimuleert.”

Erik Pasveer nodigt partijen uit om aan te geven wat ze nodig hebben, en om verder mee te denken over de ontwikkeling van het CID.

Mensen binden met mixed-use

Wil een stad innoveren, dan moet deze talentvolle mensen aan zich binden. Een deel van het Haagse beleid is al gericht op een goed vestigingsklimaat dat onder andere de duizenden studenten moet verleiden te blijven.

Tobias Verhoeven van Synchroon benadrukt dat fijne stedelijke plekken het verschil kunnen maken. Bedrijven volgen mensen dus moet het wonen in de stad aantrekkelijk zijn, zegt hij.

“Mixed-use gebieden bij kennisplekken zijn erg in trek. In het CID ontwikkelen we met Amvest samen een mixed-use gebouw op het KJ-plein. Daarbij is goed gekeken naar de behoefte van de stedeling.

Parkeerplekken zijn er niet. In de deeleconomie delen bewoners hun auto en fiets en wandelen ze naar hun werk in de innovatiehub. Het is een gebouw waar mensen ook voorzieningen met elkaar delen, zoals een gemeenschappelijke keuken, feestappartement en een wasbar.

Ze maken gebruik van de services van het gebouw waarin ze wonen, gaan naar de lokale horeca en klappen daar in de koffiebar af en toe ook hun laptop open om te werken. Mensen willen tegenwoordig niet een groot deel van hun geld kwijt zijn aan hun woonlasten, ze willen juist graag genieten van hetgeen de stad te bieden heeft.

We creëren woningen voor de mensen die graag in de stad willen leven, vaak al een- en tweepersoonshuishoudens. Amvest neemt een groot deel van de woningen en de commerciële voorzieningen in haar portefeuille op.” Het zijn vooral de vele mogelijkheden die de nieuwe stedelijke leefomgeving bij een kennisplek typeren.

De juiste branding

De verdere ontwikkeling en uitbouw van een innovatiedistrict kan volgens de gasten van het rondetafelgesprek een gouden greep zijn voor Den Haag om zich verder te ontwikkelen als kennis- en innovatiestad.

Het is een middel om aantrekkelijk te blijven voor mens en bedrijf en dat moet worden geuit. “Be good and tell it”, luidt het advies van Verhoeven aan de gemeente.

Van Gent is het met hem eens. “Als gemeente kun je ontmoetingen van verschillende partijen gemakkelijk faciliteren. En met de juiste branding zorg je voor een aanzuigende werking.”

Categories
Uncategorized

De MultiDuct: dé innovatie die de bouw nooit heeft veranderd

Ik tik ‘innovaties in de bouw’ in op Google. Ik lees een bericht van TNO over dat de bouw in vergelijking met andere sectoren weinig innovatief is, omdat slechts 35 procent werkzaam is in technologische innovatieve bedrijven. Een bijzondere conclusie. Ook vind ik veel artikelen over kant-en-klare bouwsystemen in de woningbouw. En dat 3D-printen de toekomst heeft.

Terwijl ik al deze interpretaties van ‘innovatie in de bouw’ tot me neem, denk ik aan een anekdote die Daan van Vliet, voorzitter van het bestuur van de Dutch Green Building Council en voormalig directeur van installatiebedrijf Unica, me ooit vertelde. Het ging over de MultiDuct, een door Unica ontwikkeld product. Die MultiDuct was een innovatie die de woningbouw én de installatiebranche vanaf de jaren 80 volledig op zijn kop zou zetten. Het was een witte doos met daarin alle duurzame techniek voor een woning. Luchtverwarming, warm water, ventilatie, warmteterugwinning; alles zat er in. Werkelijk een prachtuitvinding, heel duurzaam bovendien. En uitermate geschikt voor de premiewoningen van die tijd. Daan van Vliet legde me uit dat je met de MultiDuct het gasverbruik van je woning kon halveren.

Er was alleen één maar. De overheid was er nog niet klaar voor. Hierdoor werd de besparing die met het apparaat kon worden bereikt meteen tenietgedaan door een verlaging van de premie voor de woning. De MultiDuct is helaas nooit een succes geworden.

In dit verhaal van Daan van Vliet liggen voor mij twee lessen voor innovatie. Ten eerste: het heeft geen zin in je eentje geweldige duurzame oplossingen te verzinnen als niemand die begrijpt of accepteert. Dan sta je alleen in een groene wei te grazen waar verder niemand anders is.

Ten tweede gaat innovatie over de manier waarop we met elkaar samenwerken. Innovaties in de bouw blijven vaak beperkt tot één of twee schakels in de keten, maar de bouwketen als geheel innoveert maar langzaam. Voor de hand ligt om met z’n allen te hopen dat er een Google, de Apple of de Uber van de bouwwereld opstaat en de sector disruptief verandert. Maar laten we daar niet op wachten. We kunnen vandaag al iets doen aan onze grondhouding zodat we samenwerking in de keten verbeteren. Dit kan door echt open te staan voor ideeën en innovaties die ons in eerste instantie wellicht ‘vreemd’ overkomen. En door kennis te delen en volledige transparantie te geven over persoonlijke belangen en ambities. 

Spannend? Jazeker. Maar het werkt. Ik ken partijen die door openheid enorm succesvol én innovatief zijn. Wil je als bedrijf straks nog meetellen, dan zul je je moeten openstellen voor deze nieuwe manier van zaken doen.